andere dingen

Mirwais

Mirwais zegt: I haven’t hurt an ant. Zijn Engels is redelijk, maar om te verduidelijken wat hij bedoelt, drukt hij zijn duim uit op de grond.

Een vlieg, zeg ik. In Nederland zeggen we: ik heb nog geen vlieg kwaad gedaan.

Een vlieg?

Met mijn vinger trek ik een willekeurige lijn door de lucht, tussen ons in, en maak een bzz-geluid. Hij begrijpt het, en herhaalt me.

Geen vlieg kwaad gedaan.

Hij is 23 en komt uit Kabul, Afghanistan. Iets meer dan een jaar is hij nu in Nederland. De kamer in het AZC, van drie bij twee, deelt hij met een andere jongen. In de hoek staat een klein tafeltje, daar eten ze aan. Hij probeert een beetje gitaar te spelen sinds hij hier is, gewoon, om te kijken of hij het zichzelf kan aanleren. Hij leest Kuifje en hoopt dat zijn Nederlands er beter van wordt.

Een verblijfsvergunning heeft hij niet, maar hij heeft goede hoop. Bij gesprekken met het IND kan hij veel documenten laten zien, papieren. Aantonen waar hij vandaan komt, wat hij meegemaakt heeft. Dat het niet anders kon.

De medewerker had gevraagd of hij getrouwd was. Nee, antwoordde hij. Kinderen dan? Mirwais giechelt als hij het navertelt. Zo’n malle vraag. Hoe kun je nou niet getrouwd zijn en wel kinderen hebben.

Hij wil straatfotograaf worden. Heeft al een camera, cadeau gekregen van iemand die hoopt dat hij hier slaagt. Hij kan mij uitleggen waar je op moet letten als je een goeie wil. Als hij een verblijfsvergunning krijgt, wil hij naar Marrakech om daar foto’s te maken.

Hij was laatst naar een wedstrijd van AZ. Dat was georganiseerd voor hem en andere vluchtelingen. Ik vraag: was dat de eerste keer dat je in een stadion was? Wel om voetbal te kijken, zegt hij.

Als hij over Afghanistan vertelt, wordt zijn gemoed niet zwaar, ik zie hem niet verdrietig worden. Hij gaat niet zachter praten. Soms vragen mensen wel waarom hij niet huilt. Dan zegt hij: mijn hart is van steen geworden. Hij tikt zijn hand tegen zijn borstkas.

De eerste keer in een stadion was toen hij zes of zeven was. De Talibaan namen zijn hele schoolklas ermee naartoe, om toe te kijken hoe er handen werden afgehakt van mensen die iets gestolen hadden. Hij zag hoe kelen werden doorgesneden. In Afghanistan, zegt hij, zijn ongeveer twintig terroristische groeperingen, waaronder de Talibaan, Al-Qaeda en Daesh (IS). Hij heeft heel veel zelfmoordaanslagen gezien. Politici zijn corrupt. Mirwais’ broer is twee jaar geleden ontvoerd en nog steeds spoorloos. Zijn moeder huilt alleen maar.

De vriendin van zijn buurjongen werd verkracht. De buurjongen deed aangifte bij allerlei ministeries, maar niemand wilde hem helpen. Hij probeerde alles. Toen Mirwais op een ochtend op Facebook keek, zag hij dat de buurjongen een foto van zichzelf had geplaatst en erbij had gezet dat het zijn laatste was. De jongen schreef een brief, dat hij geen andere uitweg meer zag, maakte honderd kopieën, liep naar het plein voor het ministerie met een jerrycan benzine, gooide de brieven in de lucht en zette zichzelf in brand.

Kort geleden kwamen zes oud-klasgenoten om bij een aanslag.

Zijn ouders bleven in Kabul. Mirwais deed een maand en zes dagen over zijn reis. Via Turkije, Griekenland, Macedonië, Kroatië, Slovenië en Oostenrijk kwam hij in het zuiden van Duitsland terecht. Vanuit daar werd hij, nadat zijn vader 10.000 euro had betaald, met zes anderen in een auto naar Nederland gesmokkeld. Ze moesten zich de hele rit verborgen houden. In Rotterdam gooide de smokkelaar ze eruit. De man wees naar een gebouw en zei: meldt je daar maar en zeg dat je een asylum seeker bent.

Hij werd naar Ter Apel gestuurd. Daar herhaalde hij het: asylum seeker. Welkom in Nederland, zeiden ze. Tot dat moment had hij niet eens geweten in welk land hij was. Hij kende het sowieso alleen als Holland. In Afghanistan zegt niemand Nederland.

De mensen van het AZC in Ter Apel zeiden: ga maar niet naar buiten, want daar moeten ze je niet. Buiten steken Nederlanders hun middelvinger naar je op. Hij houdt zijn eigen middelvinger horizontaal achter zijn vlakke hand, om te laten zien wat hij bedoelt zonder dat hij het obscene gebaar direct ook richting mij hoeft te maken.

Hij werd naar nog twee opvangcentra overgeplaatst, voordat hij een paar maanden terug in Utrecht terechtkwam.

Zijn docent Nederlands had tegen hem gezegd: ik mag je religie niet, want die is agressief. Hij drukt zijn vinger uit op de grond. Hij zegt: I haven’t hurt an ant. Dus je kunt dat niet zeggen over mij.

Nu zit hij tegenover me, in een rood-zwart geblokt overhemd, zijn regenjas naast hem op de bank. En hij vertelt dat allemaal.

Een dag voor de Tweede Kamerverkiezingen stuur ik hem een app’je. Of hij het goed vindt als ik over hem schrijf.

Hoi, antwoordt hij. You can write. Alleen dont vote gelder.

Ik vraag of hij Wilders bedoelt.

Ja. The man met blond haar.

Hij stuurt me een selfie van de eerste keer dat hij zelf mocht stemmen, in Afghanistan. Een warmblauwe lucht, een half-geposeerde blik, zijn wijsvinger paars tot halverwege het tweede kootje.

Standard