muziek

An ocean not to break

De halfopen blauwe ogen van Matt Berninger, frontman van The National, kijken loom de grote Lowlands-tent in. Zondagavond om kwart over zeven. Het regent, voor het eerst dit weekend. Natuurlijk. Tienduizend mensen staan hem aan te kijken als aanstormende koplampen naar een bang hert. De loodzware last het wankelende geweten van de beste band ter wereld te zijn.

Een man wiens demonen hem niet alleen willen laten, vooral omdat hij zelf niet zonder ze kan. Omdat ze hem komen opzoeken. Op het podium, in de songteksten die zijn hoofd verlaten, elke keer wanneer hij eindelijk die vermoeide ogen dicht doet. In dat hoofd is alles zwart. Zwarte veren kruipen eruit en vallen op zijn voeten.

Soms verstopt hij zich tussen twee nummers door in een witte handdoek. Hij wrijft hardhandig zijn haren door de war met de zachte, witte stof, een vergeefse remedie tegen de onbegrensde duisternis van daarbinnen. Zijn bandleden zetten hun vingers alvast bij de beginakkoorden van het volgende nummer en kijken afwachtend, vertwijfeld, opzij.

‘It takes an ocean not to break’, schreeuwt hij in het laatste nummer van de set. Niet breken. Op het punt staan, over de rand kijken, de ijzige diepte van zwartgalligheid in, maar niet vallen. Niet breken. ‘It takes an ocean not to break’. Hij klimt het podium af, zet zijn voet op het voorste hek en buigt over het publiek heen. Hij kijkt door ze heen, ze kennen zijn woorden, ze imiteren zijn frustrerende gevecht. Hij schreeuwt nog één keer. ‘It takes an ocean not to -‘

‘Break’ komt niet. ‘Break’ is het geluid van zijn microfoon die, precies waar dat laatste woord hoort te zitten, zijn smijtende hand verlaat en tegen een speaker knalt. De versterkte klap raakt iedereen in de tent en galmt nog een paar seconden door.

Hij laat zijn hoofd zakken, loopt voor het podium langs, haalt zijn vingers nog eens ontgoocheld door zijn haar en verdwijnt langs de zijkant. Matt Berninger is gebroken.

(foto: Marijn Scholtus)

Standaard