alledaagse dingen

De overbuurvrouw

Een paar meter achter me ging een deur open. De overbuurvrouw stapte naar buiten. Ik zat op mijn hurken naast mijn ondersteboven gekeerde fiets en keek op. Ik had het zwarte dopje van mijn ventiel zorgvuldig naast me op de stoep gezet – je moet altijd goed opletten waar je die kleine krengen laat. Het regende. Of ik misschien wist wie er dood was, vroeg de buurvrouw.

Niet meteen. Eerst had ze me gevraagd of ik ook in het rijtje woonde. Ze had me hier nog nooit gezien. Ja, zei ik, sinds een paar maanden. Ik schatte dat ze ongeveer vijftig was. Grijzig haar met een hoedje erop. Uit de manier waarop ze haar vragen stelde, maakte ik op dat ze graag op de hoogte gehouden werd.

Met een gemoedelijk handgebaar maakte ze duidelijk dat ik mijn fiets en blauwe emmertje water niet aan de kant hoefde te zetten. Ze liep er wel omheen. Ondertussen groette ze de man die aan de overkant met zijn auto bezig was. ‘Dag Ton.’ Ton stak een slap handje op, die daarna weer onder de motorkap verdween.

Ik trok mijn binnenband langzaam door het emmertje water. Daar waren de luchtbelletjes. Ze ontsnapten enthousiast aan het gaatje, alsof dat gaatje zelf ook blij was dat hij zich eindelijk bekend mocht maken.

Het was haar wel opgevallen dat er iets aan de hand was, zei ze. Maar meer wist ze niet. Ik zei dat het nummer 54 was. Of 52. Die rode deur daar. Een man, al wat ouder. Eergisteren. Ik kende hem ook niet. We keken allebei naar de rode deur waar ik op gewezen had en waarachter iemand doodgegaan was, en nu regende het in onze straat en zeiden we niets. Toen stapte ze op en fietste weg.

Ik pakte het ventieldopje van de stoep. Er bleef een piepklein rondje achter waar het al die tijd droog was geweest.

Standaard