mijn boeken

Knetterende Letteren

Gisteren werd ik voor het eerst geïnterviewd voor een televisie-uitzending. Kenneth van Zijl kwam langs, met zijn cameraman Alle, voor het programma Knetterende Letteren van Cultura. Het was een goed gesprek, hoewel ik achteraf ontevreden was met wat ik had geantwoord op een van zijn vragen. Vandaag mailde ik hem het onderstaande.

Ha Kenneth,

Ik vond het een prettige middag gisteren. Hoewel jullie in essentie als twee vreemden over de vloer kwamen, voelde ik me snel op mijn gemak. Bedankt daarvoor.

Als een soort naschrift: ik moest na jullie vertrek nog denken aan een vraag die je me stelde: waarom ik aan literatuur doe. Ik begon aan een cliché-antwoord, over het kunnen creëren van je eigen wereld, en zei daarna dat ik eigenlijk gewoon graag mooie zinnen schrijf. Hoewel dat laatste deel klopt (dat eerste niet – daarmee praat ik gewoon andere schrijvers na, vrees ik), is het niet het antwoord wat ik had moeten geven. Maar dát het me niet lukte daar goed op te antwoorden, is paradoxaal genoeg wel deel van het antwoord.

Als je schrijft, ben je als een beeldhouwer bezig je eigen waarheid op papier te zetten. Wat ik denk, vind, bang voor ben, gelukkig van word. Dat het verzonnen personages overkomt, haalt een barrière weg. En elk woord dat niet helemaal strookt met wat ik wil zeggen, kan ik ergens in het schrijfproces nog vervangen voor een ander. Zo hak ik zorgvuldig al het overbodige weg om tot een kern te komen (misschien verklaart dat gedeeltelijk ook wel mijn ‘kale’ stijl?)

Een vriend vroeg me laatst naar een passage uit het boek, waarin de vader, Nico, zich bedenkt dat we als twintigers waarschijnlijk het gelukkigst zijn.

Daarvoor ben je nog te veel bezig met opgroeien en het vinden van je eigen persoonlijkheid. Maar als je je grote liefde gevonden hebt – en dat had ik, want ze lag naast me, op het randje van de slaap – dan ben je het gelukkigst. Daarna wordt de kans steeds groter dat je ziek wordt. Je moet afscheid nemen van je eigen ouders, en hun generatie. Je wordt cynisch, hebt politici te vaak horen liegen en verzekeringsmaatschappijen te veel kleine lettertjes zien gebruiken. Je laat je ambities los omdat er steeds minder tijd overblijft om ze waar te maken, wordt minder leergierig omdat je niet meer alles zal kunnen benutten. Je sport niet meer omdat het lichaam protesteert. Je confronteert elkaar met de ongemakken van het ouder worden – of zover komt het nooit, en dat is nog erger.
Terwijl ooit alles kon. Een marathon lopen, een boek schrijven, een wereldreis maken tot je koffer vol met stickers zit. Een van de elf zijn in een voetbalteam en op zondagochtend een sliding maken op nat gras.

Hij vroeg: komt dat vanuit jou als schrijver of vanuit je personage?

Mijn antwoord was dat ik die gedachte tegenkom als ik tijdens het schrijven een donkerder hoekje van mijn gedachten opzoek. Dat ik doorgaans optimistischer ben, maar hier wel een bepaalde angst van me in gevangen wordt. Met andere woorden: dit had ik zonder ‘de literatuur’ (ik gebruik dat woord zelf zelden, het klinkt zo hoogdravend) nooit onder woorden gebracht.

Hoe groot is de kans dat precies de juiste woorden zich aan me opdringen tijdens zo’n interview als dat van gisteren, waarbij de camera op me gericht is en ik de druk voel van een niet al te lange stilte te laten vallen? Hoeveel kan ik écht nadenken op zo’n moment? Bijna niet – dat nadenken gebeurt pas later. Je pakt de woorden waar je op dat moment gemakkelijk bij kunt. Ik denk dat in het algemeen slechts 20 tot 30 procent van wat we willen zeggen, zich op het juiste moment ook laat zeggen. De rest is ruis.

Dat ik het idee heb dat ik op papier de 80 of 90 procent kan halen – misschien maakt dat me een schrijver, en misschien is dat waarom ik schrijf.

Groet,
Peter

Hier de website van Knetterende Letteren, waar de uitzending met mij vanaf aanstaande zaterdag op te zien is.

Standaard