muziek

Sigur Rós, Lowlands 2008

Zondagavond, 17 augustus 2008. De zestiende editie van Lowlands gaat de laatste avond in. Het heeft zojuist, voor het eerst dit weekend, hard geregend. Het deel van de hoosbui dat op het dak van de Grolschtent viel, stroomt nu geduldig over het blauw en roze naar de rand van het zeil en valt dan naar de aarde. Het vormt een gordijn van water tussen de mensen die nog buiten staan en zij die binnen zijn, waar Elbow net optrad. Op de houten planken liggen talloze rode vlaggetjes, een souvenir van het laatste nummer van de band uit Manchester. ‘One Day Like This’, staat erop. Well anyway, it’s looking like a beautiful day.

Het is negen uur als het IJslandse kwartet van Sigur Rós het podium op komt lopen. We zien vier mannen, al doet het schuchtere, onwennige voorkomen eerder aan jongetjes denken. Bij zanger Jonsí dansen lange slierten stof sierlijk langs de mouwen van zijn jasje. Hij heeft het kuifje van een stripfiguur. Naast hem gaat bassist Georg staan, met een maatpak dat hem wat slordig om de schouders valt, als een accountant aan het eind van een drukke dag. Toetsenist Kjartan heeft het baardje van een scheikundeleraar en drummer Orri draagt een kleurrijk kroontje, alsof hij viert dat hij vandaag zeven is geworden.

Daarachter de vier meisjes van Amiina, elk met een uitbundig bloemstuk in het haar, en daarachter drie grote ballonnen die als planeten boven het gezelschap hangen.

De Grolsch is muisstil als Jonsí tegen het eind van ‘Svefn-g-englar’, het openingsnummer dat van een mysterieuze, ijzingwekkende schoonheid is, zijn gitaar voor zijn mond houdt en zijn engelachtige zang in de klankkast laat echoën. Het geluid valt slechts samen met het water dat buiten nog naar beneden klettert. Gifgroen licht omarmt de band tijdens zijn laatste hemelse uithaal, de laatste keer dat hij de strijkstok langs de snaren van de gitaar trekt.

Dan is het stil en wordt het donker. We zijn tien minuten onderweg, slechts één nummer, maar het kippenvel staat al tot achter in de tent op de armen van de toehoorders. Buiten legt de laatste dag van Lowlands 2008 zich langzaam neer bij de invallende duisternis.

Wie vooraf verwachtte dat Sigur Rós zich vanavond zou gaan gedragen naar de stemming van de nieuwste plaat – Með Suð í Eyrum Við Spilum Endalaust is een paar maanden oud en is vrolijker dan zijn voorgangers – blijkt het mis te hebben. Na de opener volgen het apocalyptische ‘Glosolí’ en ‘Se Lest’, een liedje om mee door vers gevallen sneeuw te rijden. De eerste twintig minuten zijn mysterieus maar warm, vervreemdend maar ook menselijk – helemaal als een in witte pakken gehesen brass band olijk trompetterend opkomt, langs de bandleden zigzagt en weer in de coulissen verdwijnt.

Pas na het vierde nummer, ‘Ný Batterí’, net als het openingsnummer afkomstig van Agætis Byrjun (1999), krijgen we het bewijs dat ook in Sigur Rós mensen spelen. ‘How you doing? Alright?’ vraagt Jonsí. ‘It’s nice to be here, in Holland.’ Hij stelt vervolgens hun Nederlandse geluidstechnicus Jelle aan ons voor en zet ‘Við Spilum Endalaust’ in, het eerste nummer van het nieuwe werk. De stemming draait: bij dit zich aan de radioregels conformerende popliedje mag zelfs geklapt worden. Pas nu valt het felgekleurde kroontje van Orri op z’n plek.

‘We love you, Jelle’, zegt Jonsí terwijl het liedje wegsterft en plaatsmaakt voor ‘Hoppípolla’, een compositie die speelsheid tot epische proporties uitvergroot. De linkervoet van Orri gaat ongeduldig heen en weer op zijn pedaal. De rode drumstokjes van een Amiina-meisje dansen over de toesten voordat ze samen met de anderen naar één microfoon loopt. ‘Can you sing… with us?’ vraagt Jonsí, terwijl ‘Hoppípolla’ overlapt naar de reprise. Het lijkt er aanvankelijk niet op dat de Grolsch massaal gehoor geeft aan de oproep, maar als de instrumenten stilvallen, blijft er toch iets over. Dan wordt het weer donker. Applaus.

We krijgen nog twee nieuwe en twee oude nummers. Het langzaam ontwakende en zich dan naar een climax toeslepende ‘Festival’ en het ongekend uitbundige ‘Inní Mér Syngur Vitleysingur’ worden afgewisseld met ‘Sæglópur’ en acht gelukzalige minuten van Hafsól. Niemand is opgewassen tegen het loopje dat op de achtergrond begint, maar zich langzaam als een olievlek over de muziek verspreidt. Het podium is goudgekleurd, alsof de band in vuur staat te spelen. De slierten aan de mouwen van Jonsí springen langs zijn gitaar terwijl hij voorovergebogen zijn strijkstok langs de snaren trekt. Sneller, en sneller. Het loopje wint aan snelheid en kracht, krijgt ondersteuning van de trompetten van de brassband, van het ritme van de drummer die zijn kroontje kwijt is, van de toetsenist die een klein fluitje bespeelt, en ten slotte van alles wat geluid maakt.

Als de lichten van het podium fel oplichten, is even te zien hoe buiten de gele TRASH-vlaggen boven de prullenbakken hangen. Een flard van de buitenwereld.

De climax, en dan stort alles in en is er slechts nog dat kleine fluitje van de toetsenist, als een speels deuntje temidden van een ruïne. Jonsí zit vermoeid op het podium, zijn gitaar op schoot, zijn ogen op de grond gericht. Een zweetdruppel valt op het hout. Het applaus is oorverdovend.

‘Gobbledigook’, de eerste single van Endalaust, is een afsluitend feestnummer dat je bijna doet vergeten van welke wervelwind we nog staan uit te hijgen. Elke mogelijke kleur schijnt uit de lampen achter de band en confetti daalt op ons neer voordat Sigur Rós, een uur en twintig minuten na het begin, van het podium stapt. Weer donker. Weer applaus.

Maar Lowlands 2008 wordt door degenen die die bewuste avond in de Grolsch waren voor altijd in het geheugen gegrift door wat er daarna gebeurt. Sigur Rós komt terug, bedankt bescheiden voor het uitzinnige applaus en zet ‘Untitled #8’ in. Het laatste nummer van de naamloze plaat uit 2002, die met de haakjes op de voorkant. Alsof hun leven er vanaf hangt, en dat van ons net zo goed, stapelen ze geluid op geluid om nog eenmaal naar een allesvernietigend – nee, een allescreërend – hoogtepunt toe te werken. Als na ruim vijf minuten even wat gas terug genomen wordt, is allang duidelijk dat dat alleen maar is om krachten te sparen voor wat nog komen gaat. De drums versnellen, de stem van Jonsí zweeft door de tent. Niemand kan stil blijven staan, iedereen springt, of tilt in elk geval de hielen van het onder onze schoenen trillende hout.

Nog een versnelling, nog meer volume. Dit moet tot in de Alpha te horen zijn. Lichtflitsen springen om ons heen. De climax valt op ons neer als een eruptie van geluid. Dít is de stortbui van het festival, niet dat buitje van toen de avond nog aan het vallen was. Een sneeuwstorm blaast zich van achter het podium onze kant op. Mensen staan met open mond te kijken. Krijsend komt het nummer, en daarmee de toegift aller toegiften, ten einde.

Wat overblijft zijn de nog nagalmende instrumenten die op het podium achtergelaten worden terwijl de bandleden, een voor een, sommige nog eenmaal verlegen zwaaiend, het podium aflopen. Wat overblijft is een volle Grolschtent die niet weet wat het overkomen is, waar toeschouwers vererend tot boven hun hoofd uitgestrekte handen laten neerdalen. Meerdere mensen staan te huilen.

Wat overblijft is volgens velen het beste concert dat Lowlands ooit zag.

Geschreven voor de serie Legendarische Lowlandsconcerten van Lowlove.nl. Het stuk staat ook hier, inclusief video. De illustratie werd speciaal voor Lowlove gemaakt door Freek van Andel.

Standaard