muziek

Exit Music

Om verschillende redenen moest ik dit weekend terugdenken aan het optreden van Radiohead op Best Kept Secret. Ten eerste speelde de band vrijdag op Glastonbury. Ten tweede ging er een lollig nepnieuwtje rond op Twitter over dat het stemmen van een gitaar door fans was aangezien voor een nieuw nummer. Toeschouwers hadden meteen gevonden dat “het beste werk van Radiohead was sinds OK Computer” – een rake karikatuur van het soort fans waar de band er nu eenmaal veel van heeft. (Ik was dit weekend op een verjaardag, en daar was iemand zelfs in de veronderstelling dat dit verzonnen voorval zich op Best Kept Secret had voorgedaan.)

Ten derde was het een week geleden. Ik ging door de foto’s op mijn telefoon van dat festival en bleef weer even staan bij het beeld van het grote podium in het nog net achtergebleven licht, het groen achter de band en het silhouet van Thom Yorke. Het moet tijdens een van de eerste nummers geweest zijn, Airbag misschien, of 15 Step of Myxomatosis, want daarna speelden ze Pyramid Song, en ik herinner me dat het toen al donkerder was, en dat het het begin was van een soort dieper wegzakken in de muziek, een staat-van-zijn waar ik mijn telefoon niet bij kon gebruiken.

Dat moet het meest bijzondere zijn geweest aan die hele avond, en eigenlijk aan dat hele festival: hoe opvallend stil iedereen was tijdens zo’n rustig nummer als dat, net als eerder bij het openingsnummer Daydreaming, en al helemaal bij Exit Music (For a Film). Er waren zelfs mensen die anderen susten. Dus we stonden daar met z’n vijfentwintigduizenden en niemand zei een woord. Ik voelde de behoefte om mee te zingen, maar deed dat zacht, om de betovering niet te verbreken, tot het volume na ruim drie minuten omhoog ging – and now / we are one / in everlasting peace – en het kon, ik zong hard mee en anderen ook, en toen het kort daarna weer overschakelde naar het verstilde outro schroefde ik samen met iedereen terug naar een fluisterniveau.

Oh, wat was dat mooi. Wat was dat mooi.

Drie keer eerder zag ik Radiohead. De eerste keer was op Pinkpop 2001 (waar ik min of meer toevallig belandde, geloof ik, want ik was achttien en op die leeftijd gebeurt alles min of meer toevallig). Voor ze Paranoid Android inzetten, zei Thom Yorke “This is the closest we ever come to Limp Bizkit”, want die hadden ervoor gespeeld. De tweede keer was in november 2003 in de Gelredome, met mijn toenmalige vriendin. Ik kan me ook van toen niet herinneren dat de bandleden veel zeiden, maar wel dat het de avond van de EK-playoff-wedstrijd Nederland – Schotland was, en dat óf Yorke óf Johnny Greenwood zei dat wij Nederlanders “quite the football skills” hadden: het was in Amsterdam 6-0 geworden. En in 2008, bij de Westergasfabriek, ging Yorke voor een van de nummers achter een drumstel zitten, deed een veiligheidsbril op, tikte ertegen met de drumstokje en zei: “Safety first”.

Redelijk willekeurige herinneringen, maar wat ik ermee wil zeggen: Radiohead is nooit een band geweest die veel contact zoekt met zijn publiek. Extatisch roepen dat alles fucking amazing is, zoals Arcade Fire een avond eerder op Best Kept Secret nog wel deed, zullen ze niet doen.

Maar toch was het nog een tikje raarder, deze vierde keer. Thom Yorke hield het de eerste driekwart van het concert bij wat maniakaal lachen, om daarna het volgende nummer in te starten. Natuurlijk, hij is een creep, hij is een weirdo, maar dit was zelfs voor Radiohead opmerkelijk vervreemdend. Het was alsof ze na al die jaren vinden dat andere bands dat maar moeten doen, contact maken met het publiek, speelplezier trachten over te brengen – maar zij niet. Dat stadium zijn ze gepasseerd. Het zou ze te gewoon maken. Het zou betekenen: in de pas lopen. Crowdje pleasen. Meegaan in de sociale conventies, waarvan ook zo’n festival toch overloopt. En ik heb het idee dat Yorke die stuk voor stuk feilloos aanvoelt, maar er weerstand bij voelt en bijzonder weinig zin heeft zich ernaar te voegen – sterker nog, zijn band moet zich ertegen verzetten.

Na een hele tijd spelen keek hij opzij, naar het meer waaraan het hoofdpodium stond, en zei: “You see, if I was at this gig, I’d be in there. I mean, the music’s great and everything — but I’d go for a swim.” Het getuigde van gevoel voor komische timing, van wat doorsnee menselijkheid misschien zelfs (Thom Yorke in een zwembroek!), maar vooral was het, door de schaarste van zulke momenten, dat ene zinnetje dat hij uitsprak en dat ik sindsdien zorgvuldig bewaar bij de andere kleine grapjes van eerdere keren dat ik erbij was.

Ik was blij dat ze Separator speelden, dat niet vaak op de setlist staat volgens mij, en bovendien van een van hun mindere albums komt, maar ik ben gevoelig voor het schelle gitaarloopje in de tweede helft van dat nummer.

Maar het was uiteindelijk, weet ik nu, niet waar ik het concert aan zal herinneren. Dat was Exit Music, en later ook Street Spirit, toen we ook meezongen en ik een stap achteruit zette, daar stond mijn vriendin, ik ging achter haar staan en zong de tekst mee, de woorden belandden in haar nek en haar, en sommige vielen over haar schouder.

Er volgden twee toegiften en natuurlijk waren ook die goed, natuurlijk overtroffen ook die wat je normaal gesproken onder een ‘concert’ verstaat, maar tijdens dát nummer lukte het om niet direct te willen reflecteren, alleen op te gaan in wat je beleeft, een warme eenheid voelen met wat je hoort, ziet en wie om je heen hebt, en dat is misschien de belangrijkste reden dat ik naar festivals ga en dat ik op een zondagnacht in een safaripark ben en vergeet dat ik al drie dagen op m’n benen sta.

Mijn excuses voor al het nerdy namedroppen. Hier de setlist, want het is ook weer niet zo dat ik alle nummers in volgorde uit m’n herinnering opdiepte. Hier het nepnieuwtje dat dit weekend viral ging. Het optreden van Radiohead op Glastonbury van vrijdag 23 juni is hier terug te luisteren.

Standard