alledaagse dingen

Nieuw Vredelust

Op zaterdagochtend, 21 juni, gingen we met de trein naar station Duivendrecht. Het laatste stukje liepen we, langs bedrijventerrein en snelweg. We staken over waar dat waarschijnlijk niet toegestaan was, gingen naar links en stonden plots in het groen. Onze schoenen zakten een beetje weg in het grind.

We zouden hier slapen, op tuinpark Nieuw Vredelust. Een gebied met meer dan honderd kleine huisjes, vele met een nummer op een bordje bij het hek (wij hadden 51), met smalle paadjes ertussen, en mocht je over de heggen kunnen kijken, mocht je willen weten waar de tuinen ophouden en de stad begint, dan zou je de Johan Cruijff Arena zien, en trainingscomplex De Toekomst.

Zo’n negen maanden eerder stuurde de gemeente Amsterdam een brief aan de huurders van deze volkstuin. Ik vond de brief op tafel. Het logo met de drie kruisen stond erboven. De gemeente schreef dat er een “nieuw stedelijk gebied voor wonen en werken” gepland was. Hier, waar we net onze tassen hadden neergezet. Er wordt “ontwikkeling voorzien”, stond er, “met onder meer woningen, bedrijvigheid, […] uitbreiding van het sportcomplex van AFC Ajax […] en “een duurzame oplossing voor parkeren bij evenementen”.

Kortom: het zou hier allemaal tegen de vlakte gaan, uiterlijk in 2020. Er komt een nieuwbouwwijk. En andere mensen komen op een ochtend als deze hiernaartoe. Het slot zal nog stroef zijn, de sleutel moet er anders in, even wrikken. De deur laat voor het eerst los, het ruikt naar verf en stof, een leven begint. Dat er eerst iets anders stond, is snel vergeten. De nieuwe mensen kunnen het zich al niet meer voorstellen. Het huis staat er nu toch? Een huis. De onverzettelijkheid ervan, op palen die de grond in gingen, en de echo die pas later kwam.

En hotels, en bedrijven, en voetbalvelden en parkeerplaatsen.

We gingen in de tuin zitten en keken naar de vliegtuigen die overkwamen. De meeste waren van KLM, maar we zagen ook het EasyJet-oranje, Zwitsers rood, een toestel met Qatar op de buik, en allerlei andere, van deze afstand niet te ontwaren maatschappijen. Vaak stak het wieltje onder de cockpit nog uit. Of ál? Stak het ál uit? We wisten niet of de vliegtuigen aankwamen of vertrokken. Of er daarboven uitgekeken werd naar drie weken op het strand, of de geur van het eigen dekbed, de kat achter de voordeur.

Begon er iets, of kwam er iets ten einde?

Ik dacht na over de nieuwe woonwijk. De stad groeit. De club groeit. De economie – jongens, de economie. En mensen moeten toch ergens wonen? Ze moeten toch parkeren? Ze moeten toch inspelen, wegdraaien, de vrije man zoeken, afronden? Ik dacht: er zullen goede redenen zijn geweest om die brief te sturen. De gemeente schrijft dat niet zomaar.

Maar wij dan, wat wij deden? Moest dat ook? We lazen boeken op het gras. We vouwden de parasol weer in en wachtten tot het donker werd. Het koelde af, de lucht rook zoet. We zetten waxinelichtjes op tafel. We draaiden de kraan open en sproeiden de tuin. Ik dacht: ook het groen moet de kans krijgen te groeien.

Op zondagavond namen we de trein terug naar Utrecht. Een moeder en haar dochter zaten naast ons. Om het rugzakje van het meisje zat een KLM-blauw label met opschrift ‘cabin luggage’. Ik bedacht me dat ze misschien die middag over ons heen gevlogen waren, en dat als dat zo was, al die toestellen dus bezig geweest waren met landen, en niet opstijgen, en dat ik dan in elk geval op één vraag een antwoord had.

Standaard
andermans boeken

De vogels

“Alweer een herontdekt meesterwerk”, schreef de Belgische krant De Morgen deze zomer over De vogels van Tarjei Vesaas. Ook op andere plekken verschenen lovende recensies. Het boek uit 1957 was net opnieuw naar het Nederlands vertaald door uitgeverij Lebowski. Ongetwijfeld met precies dit voor ogen: dat het onthaald zou worden als een onterecht altijd onopgemerkt gebleven juweeltje, dat nu alsnog zou uitgroeien tot klassieker. Het Stoner-effect.

Nou, ik vond het een vreselijk boek. Vre-se-lijk. En het deed me twijfelen aan mijn eigen smaak. Of die wel goed afgesteld staat, of ik wel kan herkennen wat goed en slecht proza is. Ik bleef lezen, gefascineerd door hoe slecht ik het vond – en hoe dat kán, omdat iedereen het zo goed vindt.

Wat mis ik? Dit is toch gewoon heel, heel, héél erg slecht? Lees verder

Standaard
alledaagse dingen

Van Sint-Petersburg naar Helsinki, met de trein. Eerst hadden de Russische douaniers mijn paspoort gecontroleerd. Argwanend gekeken naar de geribbelde pagina’s. (Het is een keer gewassen, per ongeluk.) Uiteindelijk een stempel gezet op het losse vel dat er drie dagen eerder, bij binnenkomst, tussen was gelegd. Hard, krakend. Ka-doenk. Daarna, eenmaal over de grens, nog een ander. Een Finse vrouw in lichtblauw. Ze bekeek het paspoort, gaf het weer terug. Alles in orde. En even, in de verte, dacht ik iets te hebben gemerkt van een ‘welkom terug’. Ze zei het natuurlijk niet, want de Europese Unie is Amerika niet. We kennen die trots niet, om goede redenen. Maar toch. Was het niet mooi geweest? Goed dat je er weer bent. Je kunt weer met euro’s betalen. Je hebt weer 4G-internet. Een klein knikje. Welcome back.

Welkom terug

Aside
andermans boeken, muziek

Ik schreef met collega Toef Jaeger een Zomeravondgesprek voor NRC. De Zomeravondgesprekken zijn een serie interviews die de krant in de zomer publiceert, en waarvoor elke week twee aan elkaar gewaagde gasten een avond en een ochtend met twee NRC-redacteuren doorbrengen. Ons gesprek, met Spinvis en Marieke Lucas Rijneveld, staat hier.

Link
muziek

Rain Rain

Vorige week was ik in Bergen, in een hotel, voor een binnenkort in NRC te publiceren Zomeravondgesprek. Met een collega sprak ik een avond lang met Marieke Lucas Rijneveld, die De avond is ongemak schreef, en Erik de Jong: Spinvis.

De volgende ochtend, rond tien uur, stonden we met onze tassen bij de receptie. We zouden bijna afscheid nemen. Tegen Erik begon ik over een liedje dat ik de dag ervoor voor het eerst gehoord had. Ik had in Alkmaar een ov-fiets gehuurd en fietste daarna door Noord-Holland met de Discover Weekly-playlist van Spotify. Toen kwam Rain Rain van Spirit Fest langs.

Er is een heel album van. Het is een samenwerking van de zanger van The Notwist en het Japanse duo Tenniscoats. Er staat nóg een prachtig liedje op dat album (ook met twee maal hetzelfde woord in de titel), River River, en daar is ook een clip bij.

Ik zei die ochtend na het Zomeravondgesprek tegen Erik dat het zo heerlijk is als je een liedje hoort waarvan je meteen weet dat het de rest van je leven bij je zal blijven (behalve misschien als je doof wordt). Hij wilde weten welk liedje het was en zei dat hij het in de auto meteen zou luisteren.

Even later, weer op de fiets, weer door het groen van Noord-Holland, luisterde ik nog een keer naar Rain Rain, en bedacht ik dat het mogelijk was dat hij dat op dat moment óók zou doen. Datgene wat ik een dag eerder gevoeld had, kon zich al hebben vermenigvuldigd.

Standaard
alledaagse dingen

Alcoholbijlage

Het Leven-katern van NRC had dit weekend het thema ‘alcohol’. Ik schreef er een column voor.

Het was even oefenen. Allereerst moesten de kratten bij voorkeur zo hoog opgestapeld staan dat ze tot boven je middel reikten, maar dat was meestal geen probleem in de kassen, schuren en tuinen van West-Friesland, waar het licht zwak was en de voorraad oneindig. Daarna nam je een nieuw flesje, pakte het stevig vast, onderaan de hals, en drukte hem tegen de rand van het krat, met de kroon er net overheen.

Veel later zou je relatie met alcohol veranderen. Je zou ze inmiddels tellen: eigenlijk niet meer dan vijf eenheden per week, als het even kan. Elk glas werd een zonde. Je zou bij iedere slok weten wat er met je lichaam gebeurt. Je zou woorden als ‘eenheden’ gebruiken. Zaterdagkranten zouden er hele bijlagen aan besteden.

Je zette nog wat meer druk op flesje en krat. Belangrijk, anders mislukte het. Natuurlijk, er waren wel openers, aan de sleutelhangers van je vrienden of in de keuken van de ouders, bij wie je dan ook was. Maar dit was leuker. Hier had je niets voor nodig behalve het flesje en de krat. Het kon ook zonder krat: haak twee kronen als yin en yang in elkaar en trek het ondersteboven hangende flesje met een plotselinge polsbeweging bij het andere weg. Maar het stemde je soms somber te bedenken dat er dan altijd één biertje over zou blijven dat niet open kon.

Veel later zou je je katers gaan plannen. Morgen vrij, dus het kan. Maar toen ging het zo nog niet. Misschien omdat het altijd kon.

Het voelde zo goed om ja te zeggen. Je merkte hoe je je anders ging gedragen. Gedachten werden vloeibaar, aanraken werd makkelijker. Overal lyriek. Mogelijkheden. Het beste gedeelte van de avond was tussen je tweede en derde, als je samen de vrijheid vierde om dat te kunnen doen: ja zeggen en dan nog eens twee keer ja zeggen.

Veel later zou je zien wie we worden als we dronken zijn. Hoe we er dan uitzien. Het is nacht, ergens tussen vrijdag en zaterdag, je moet nog naar huis, en thuis is nu verder dan zeven minuten fietsen langs weiland en voetbalclub. In de trein spreken vreemden elkaar aan. Harde stemmen, onhandige pogingen tot toenadering, een acute behoefte aan contact, niets blijvends, alleen iets voor nú. Iets wat evenredig met het promillage in het bloed weer zal afnemen, maar nu bestaat, overal gevoeld wordt. Je ziet het in alle ogen: we hadden ja gezegd, en daarna nog twee keer ja, en daarna nog heel vaak ja, en nu weten we niet meer zo goed wat we met onszelf en elkaar aan moeten.

Flesje stevig omklemd, kroon tegen het krat gedrukt? Goed. Dan: de klap. Van bovenaf. Een vlakke hand, vol erop.

Ja, daar ging-ie. Terwijl het flesje naar beneden schoot, sprong de kroon erbij weg als uit een net afgevuurde revolver.

Waar dat kromgetrokken kroontje terechtkwam, daar hoefde je nooit meer over na te denken. Vanaf nu kon je drinken.

Standaard
mijn boeken

Recensies en reacties

Zo’n zes weken is Na Mattias nu uit. Het is allemaal al veel beter gegaan dan ik had durven hopen. Goede recensies, veel lezers, veel mooie reacties – en een Duitse vertaling is onderweg. Ik dacht: ik zet de recensies en reacties weer even op een rij. Ook zodat ik ze zelf niet vergeet.

‘Peter Zantingh weet de kleinheid van het verhaal met grootsheid te brengen.’ – DWDD-boekenpanel

‘Een hoopvol boek, over de menselijke veerkracht, en een pleidooi voor het goed om je heen blijven kijken.’ – NRC

‘Een ingenieuze constructie. Zantingh heeft weinig woorden nodig voor een verhaal dat toch veelomvattend is.’ – Het Parool

‘Zantingh geeft de verschillende personages op overtuigende wijze een eigen stem. In deze imponerende roman laat hij zien dat een dood meer impact heeft dan je misschien zou denken. Dat is, in zekere zin, een troostende gedachte.’ – HP/De Tijd

‘De vriendin van Mattias heeft zijn nieuwe fiets in huis staan, een nutteloos blinkende fiets. Een jongen wilde een koffiehuis beginnen met Mattias, een ander krijgt langzaam het besef dat hij alcoholist is, grootouders komen in beeld, een roadie vertelt over concerten. Als je verder in het boek komt merk je: Mattias is er nog, en dit proza draagt daaraan bij. Dit boek maakt die jongen groter en vereeuwigt hem. Mattias is niet alleen bij die vertellers en bij deze schrijver, hij is voortaan bij ons.’ – Jan van Mersbergen, De Revisor Lees verder

Standaard
alledaagse dingen, mijn boeken

Autostoeltje

Mijn boek was een maand uit en ik ging hardlopen. Ik dacht aan Quentin, een personage uit mijn boek, die ook hardloopt, en daarna dacht ik aan iets anders, ik weet niet meer wat.

Daar liep ik, door de stad, langs de singel, en overal waren mensen. Allemaal waren ze naar buiten gekomen, de eerste mooie zaterdag van de maand. Ik wilde iedereen zijn: de jongen en het meisje op het terras van het Ledig Erf, de vriendengroepen in het gras van Lepelenburg, de mensen die een goede plek hadden langs het water in het Griftpark.

En ook weer niet. Want ík liep daardoorheen, ook ik was de lente, ook ik bewoog me door die zaterdag. Ik wilde ze zijn omdat ik ze zag, en door ze te zien wás ik ze ook een beetje.

Een man stond bij een auto te hannesen met twee onderdelen van een kinderstoeltje die maar niet in elkaar wilden klikken, maar een andere man stopte en hield de onderste helft stevig vast, zodat het wel ging, ze zeiden allebei niets, dat ding wel, namelijk ‘klik’, en toen werd de voorbijganger gewoon weer een voorbijganger.

Die mannen wilde ik ook zijn. De vanzelfsprekendheid van een vreemde helpen maar dat niet hoeven te benoemen, en dan weer vertrekken.

Ik moest denken aan een zin uit een recensie van mijn boek. Het is een pleidooi voor het goed om je heen blijven kijken.

Het is misschien wel het mooiste wat er tot nu toe over gezegd is. Omdat ik dat er ook mee bedoelde. Niet als iets wat het plot drijft, niet iets wat op de achterflap moest. Maar iets wat er steeds bij aanwezig zou zijn zonder het te benoemen. Het plot is die jongen die op zaterdagmiddag door de stad rent en wat daaronder ligt is het beeld van al die mensen die buiten zijn, die elkaar opmerken en aanvullen, en als je naar links kijkt is er een autostoeltje dat heel mooi in elkaar klikt.

Standaard
mijn boeken

“Een kleine, toegankelijke en tedere mozaïekroman”, schreef Metro begin deze week. Een “imponerende roman”, schreef HP/De Tijd onlangs. “Dit is een boek voor op prijzenshortlists” – Hebban.

En helemaal fijn: vanavond werd mijn Na Mattias getipt bij De Wereld Draait Door! “Dit kleine verhaal weet hij groots te vertellen.” En Matthijs was onder de indruk van de soundtrack.

Je kunt het boek hier bestellen.

Wil je contact met me opnemen, of misschien een gesigneerd exemplaar bestellen? Je kunt me altijd mailen.

DWDD tipt

Aside