muziek

“Sometimes, I want to remind myself of ideas I’ve written, so I write them again in a different way. Usually that idea is one of three things: I’m freaked out about the world, I want to be a good husband and dad and I’m trying but sometimes I’m a bit of an asshole, and I’m sorry. So it’s either: I’m scared, I’m sorry, or I love you.”

Matt Berninger

Citaat
andermans boeken

Max, Micha & het Tet-offensief

Dit was de zin, op pagina 172-173 van Max, Micha & het Tet-Offensief, dat ik zeker wist dat Harstad weer iets heel bijzonders geschreven had:

Ze heeft lang, donker haar dat er zelfs op afstand zo zacht uitziet dat het visioenen oproept van een bad vol haarverzorgingsproducten en balsamkuren, ontwikkeld door Duitse experts in schemerige ruimtes ergens diep in de bergen, of misschien is haar haar gewoon zo, van zichzelf, zonder poespas en dagelijks onderhoud, en van zo’n kwaliteit dat ervaren kappers hun hoofd schudden als ze de zaak binnenkomt en haar een gratis behandeling en talloze proefmonsters aanbieden omdat ze het een eer vinden dat ze eindelijk eens kunnen werken met het ideale basismateriaal: ze is van nature mooi en dat weet ze, er is niets toevalligs aan de manier waarop ze staat en gaat of aan wat ze draagt, het knalblauwe sportjasje met een onleesbaar logo waar je je ogen niet vanaf kunt houden op haar borst en de bruine ribfluwelen broek die haar spierwitte gymschoenen laat fonkelen en de aandacht in een vloeiende beweging weer terugbrengt naar haar gezicht; zelfs haar kapsel, informeel en op het slordige af, bijeengebonden in een nonchalante en veel te hoge paardenstaart die half losraakt, is niet vanzelf zo geworden, maar moet zo zijn, elke beweging is bijna ingestudeerd, gecalculeerd en berekend op een manier die haar berooft van al die natuurlijkheid die ze desondanks toch uitstraalt, het is allemaal uitermate verwarrend; ze ziet er niet gevaarlijk, arrogant of onbenaderbaar uit, maar vriendelijk, mooi op een uiterst verdachte manier, en de vier jongens die haar in het klamme zwembad voor het eerst zien, verbazen zich over het mysterie dat ze haar – met uitzondering van Stanley – niet eerder hebben gezien, want als je haar eenmaal hebt gezien, kun je je onmogelijk voorstellen hoe je haar ooit hebt kunnen missen, ze is anders dan alle anderen, en ook in een gezelschap van honderden mensen zou je haar er in één seconde uit kunnen pikken; verliefd op haar worden zou bijna te gemakkelijk zijn, ze is de hoofdattractie bij de onder-de-dekens-activiteiten van heel veel jongens en ook voor de jongens met nobelere, langeretermijngedachten over liefde, naast, kun je je zo voorstellen, een paar meisjes die nog twijfelen tussen de rijbanen.

Er is veel om van onder de indruk te zijn. Ja, dit is één zin, maar dat is op zichzelf niet zo’n prestatie. Een andere schrijver (of een strenge eindredacteur) zou allereerst van alle puntkomma’s en enkele komma’s punten gemaakt hebben. Dan staat er nog steeds hetzelfde, maar ook weer niet helemaal: juist door het nergens af te kappen gaat de zin golven, is het een als een wolk overdrijvende gedachte in het hoofd van een jongen die dit meisje voor het eerst ziet.

Het zit ook in andere dingen. Dat gewoon zo gecursiveerd is, waardoor het twee heel effectieve woorden worden. Dat hij er heel subtiel in verwerkt dat hij maar niet kan stoppen met kijken naar een ‘onleesbaar’ logo – dat ter hoogte van haar borsten op haar jasje zit. Dat hij op tweederde schakelt naar dat groepje jongens en vanuit hun gezamenlijke perspectief verdergaat. En dan nog de meisjes die ‘twijfelen tussen de rijbanen’: verrukkelijk.

Het bijzondere is ook dat dit meisje, Alison, helemaal geen grote rol heeft in het boek. Ze wordt geïntroduceerd en verdwijnt op een zeker moment weer, waarmee Harstad eens te meer duidelijk maakt: het gaat hem om de taal, de stijl, om het kunnen en durven schrijven van dit soort passages.

Daarna maakte het me eigenlijk al niet zoveel meer uit hoe het verhaal zou aflopen, wat er precies zou gebeuren op de 1.057 pagina’s die nog zouden volgen.

Max, Micha & het Tet-offensief gaat over toneelregisseur Max Hansen, die op jonge leeftijd met zijn ouders van Noorwegen naar de New York verhuisde omdat zijn vader, piloot, daar een betere baan kon krijgen. Max is eigenlijk nog te jong om te weten wat het met hem doet zijn jeugd zo letterlijk achter te laten, maar heeft gelukkig 1.230 pagina’s om daarachter te komen. Onderweg leren we ook Owen kennen, een oom van Max en een Vietnam-veteraan die vele jaren eerder dezelfde kant op emigreerde als zijn neef. Als de twee elkaar vinden, heeft Max inmiddels ook een andere zielsverwant gevonden in de mooie, zeven jaar oudere Micha. Alledrie zijn ze ontheemd in een stad die ook nog eens met instortende WTC-torens en orkanen te maken krijgt.

Van een boek met ruim twaalfhonderd pagina’s kun je altijd zeggen dat het ‘dunner gekund had’. Natuurlijk klopt dat: haal uit die ene zin hierboven ‘en talloze proefmonsters’, ‘informeel en op het slordige af’ en nog zo wat beschrijvingen en bijzinnen en de boodschap blijft inhoudelijk wel overeind. Maar ik las dit boek dus omdat die woorden zijn blijven staan. Omdat die passages nooit gekunsteld of clichématig overkomen. Het lijkt hem zo gemakkelijk af te gaan. Het is allemaal zo bijzonder mooi. (Ook dankzij de Nederlandse vertalers dus, want daarbij kan het gemakkelijk misgaan en dit moet een monsterklus geweest zijn.)

Ik vouwde ook de hoekjes om van de pagina’s over Max’ vader (vanaf pagina 333), Harstads uiteenzetting over de belofte van jeugd vs de realiteit van het volwassen zijn (580-581), de ene zin die ruim vijf pagina’s doorgaat (883-887) en de opsomming die steeds begint met ‘ik hield van haar’ over Mischa (1053-1056).

Ik zal toegeven dat het compleet lyrische van de pakweg eerste driehonderd pagina’s daarna een beetje wegzakte, en dat ik uiteindelijk minder had met Owen dan met Max. Dat niet alle delen me juichend de bladzijden deden omslaan. Maar dit is hét boek dat ik las in de zomer van 2017, ik zal het daaraan blijven verbinden, en het was, nu we eenmaal in september zitten, alles wat ik ervan had kunnen verwachten.

Standard
mijn boeken

Mijn tweede

Als mensen me vragen welk boek van mij ze zouden moeten lezen, zeg ik bijna altijd: mijn eerste. Ik heb het idee dat dat boek lezers gemakkelijker ‘wint’, en dat mijn tweede – tja, waar ligt het aan? Misschien aan dat die iets minder goede recensies kreeg, minder opviel, minder goed verkocht. Maar juist daarom is het mooi om te merken, eens in de zoveel tijd, dat ook dat boek mensen raakt. Vandaag is het drie jaar geleden dat het uitkwam, en toevallig las ik vanochtend op Goodreads deze recensie, enkele dagen geleden geschreven (spoiler alert, zegt de lezer erbij):

Dit boek, over een vader en zoon die beide een dwangstoornis hebben maar hier met niemand over durven te praten, roerde me. Wat een opluchting als het wel mogelijk blijkt om te praten over dit soort aandoeningen, en wat een steun en hulp kan je krijgen als je dit doet. De vele melancholische terugblikken en de observaties over het leven en de liefde droegen er aan bij dat het boek me zo raakte. De schrijfstijl is fijn en ik heb het boek in mijn vakantie in twee dagen uitgelezen. Er gebeurt niet heel veel, maar toch blijft het boek continu boeien, en dát is echt knap schrijfwerk. Een aanrader!

De laatste zin van het boek intrigeert me enorm. Moet ik hem figuurlijk interpreteren en is het het einde van de stilte omdat Boris nu durft te praten over zijn aandoening, of is het de aankondiging van een From Dusk Till Dawn-achtige plotwending? We zullen het nooit weten.

Aside
sport

Nouri

In maart ging ik op een zaterdagmiddag in Spaarnwoude footgolfen met het Amsterdamse vriendenteam waar ik in speel. Het was een mooie dag, vriendelijk en kil zoals maart tegelijk kan zijn, winderig ook. We hadden eerder op die dag met 6-0 gewonnen, dus de sfeer was goed. In de keet waar we onze spullen konden achterlaten en waar we steeds biertjes haalden, hing de ranglijst met degenen die de records in handen hadden. Daar stond Abdelhak Nouri tussen. Ik had het zojuist in 104 balcontacten volbracht; hij ooit in 64.

Zijn noodlot raakt me, natuurlijk, zoals het velen raakt. Daar zijn allerlei redenen voor aan te dragen, die allemaal even waar zijn. Je kunt ertegenin brengen dat er veel ellendige dingen gebeuren, ook met mensen die we niet zagen voetballen, waar we de afgelopen dagen geen jeugdfoto’s van gezien hebben en waar we geen gebroken teamgenoten verdriet om zagen hebben. Mensen die we niet op een lijstje zagen staan met een indrukwekkende score na achttien holes footgolf.

Maar rationaliteit is niet waarvoor we mens zijn en je hebt er vaak ook geen klap aan. Die zin met de ‘blijvende en ernstige hersenschade’ bleef me gisteren achtervolgen, en vanochtend had ik wat vaker voorkomt als het verre verdriet met je is gaan slapen: het eerste half uur na het ontwaken blijft het weg, en dan slaat het weer in: dit is gebeurd.

Verder heb ik er niets over te zeggen. In elk geval niets wat niet ook al door anderen gezegd is. Dat ik hoop dat ons meeleven het een miniem beetje draaglijker maakt voor alle naasten van dat Amsterdamse ventje. En dat het, ergens, helpt dat ook veel spelers en supporters van andere clubs laten zien dat ze de pijn begrijpen, omdat dit elke rivaliteit tenietdoet. En misschien nog dit: dat ik hoop dat in alle negen stadions van de aanstaande eerste eredivisie-speelronde in de 34e minuut een gezang opstijgt, meer en meer en meer mensen in zich meeneemt, en dan lang aanhoudt.

Standard
muziek

Exit Music

Om verschillende redenen moest ik dit weekend terugdenken aan het optreden van Radiohead op Best Kept Secret. Ten eerste speelde de band vrijdag op Glastonbury. Ten tweede ging er een lollig nepnieuwtje rond op Twitter over dat het stemmen van een gitaar door fans was aangezien voor een nieuw nummer. Toeschouwers hadden meteen gevonden dat “het beste werk van Radiohead was sinds OK Computer” – een rake karikatuur van het soort fans waar de band er nu eenmaal veel van heeft. (Ik was dit weekend op een verjaardag, en daar was iemand zelfs in de veronderstelling dat dit verzonnen voorval zich op Best Kept Secret had voorgedaan.)

Ten derde was het een week geleden. Ik ging door de foto’s op mijn telefoon van dat festival en bleef weer even staan bij het beeld van het grote podium in het nog net achtergebleven licht, het groen achter de band en het silhouet van Thom Yorke. Het moet tijdens een van de eerste nummers geweest zijn, Airbag misschien, of 15 Step of Myxomatosis, want daarna speelden ze Pyramid Song, en ik herinner me dat het toen al donkerder was, en dat het het begin was van een soort dieper wegzakken in de muziek, een staat-van-zijn waar ik mijn telefoon niet bij kon gebruiken. Lees verder

Standard