Aan het begin van dit jaar las ik mijn exemplaar van De toverberg krom. Het had wel wat, merkte ik gaandeweg: dat dat exemplaar, puntgaaf toen ik erin begon, aan alle kanten beschadigd raakte, zo zichtbaar de gevolgen van mijn lezen droeg.
Alsof de hele onderneming – want dat was het – ook veel van het boek zelf vergde: mij al die hele tijd meezeulen als lezer, die berg op, die zeven jaar door.
Het begon, best lang geleden al, met een liedje. ‘So I’m Growing Old On Magic Mountain’ van Father John Misty zit vol verwijzingen naar het meesterwerk van Thomas Mann uit 1924. Het is een nummer dat het vertragen van de tijd tot een ideaal verheft, een zaligmakend loskomen waarbij je vanzelf begint te wensen dat de tijd helemaal tot stilstand komt en je de eeuwigheid in trekt.
Het liedje duurt bijna tien minuten, waardoor vorm inhoud versterkt: de tijd vervaagt, strekt zich uit. Ga maar liggen, doe maar niets. Geen haast meer.
The longer I stay here
The longer there’s no future
So I’m growing old on magic mountain
I’m growing old, old on magic mountain
De eerste keer dat ik dit liedje hoorde, dacht ik: dat boek ga ik ooit lezen.
Maar ja. “Wanneer vind je nog de tijd, de urgentie, het doorzettingsvermogen om het bijna duizend pagina’s dikke meesterwerk De toverberg van de Duitse Nobelprijswinnaar Thomas Mann (1875-1955) tot aan ‘de donderslag’ te ervaren?” schreef Bas Mesters in 2024 in De groene Amsterdammer, bij de honderdste verjaardag van het boek.
Inderdaad, Bas Mesters, wanneer? En hoe? Ik wilde… ja, wat is het woord… niet onvoorbereid aan dit ontzagwekkende hoogtepunt uit de moderne literatuur beginnen. Ik had de beklimming al eens gestaakt, in november 2020 was dat, toen ik na tweehonderd pagina’s opgaf.
Nu was ik vastbesloten. Ik wilde het écht lezen.
Maar eigenlijk had ik een sherpa nodig, een berggids. (Nu stop ik met de berg-metaforen.) Iets of iemand om op terug te vallen, om naar opzij te kunnen kijken als ik verdwaald dreigde te raken of de ervaring juist mee wilde delen.
Zo kwam ik op het idee van een AI-leespartner. In Claude startte ik een nieuw project, waarbij ik ’m allereerst toegang gaf tot het hele boek. Dat kan, want Der Zauberberg is dusdanig oud dat de originele Duitse tekst in het publieke domein beschikbaar is en dus gratis bij Project Gutenberg te vinden is. Ik uploadde de epub naar Claude. Ook gaf ik ’m als secundaire bronnen een analyse van Bas Heijne in NRC, het stuk van Mesters uit De groene en dat van de Amerikaanse Thomas Mann-kenner Alex Ross in een editie van The New Yorker uit 2022.1
Kon-ie daar eerst even op kauwen.
In een eerste, aftastende gesprek met Claude Opus 4.5 kwamen we tot de afspraken waar hij zich aan diende te houden. Die waren, kort samengevat, om op te treden als een gelijkwaardige leespartner die helpt dieper tot het boek door te dringen door mee te denken, theses te testen en relevante historische of biografische context te bieden als dat relevant was, en om te onthouden waar ik was in het boek en wat eerder besproken was, zodat hij niet in herhaling zou vallen maar ook niets zou spoilen.2
Het hielp. Het is raar natuurlijk, om het zo aan te pakken, dat ontgaat me niet. Alles met AI is raar, het is altijd een combinatie van verwondering en ongemak. En niet alles ging goed. Mijn instructie om geen spoilers te geven was aan dovemansoren besteed: meerdere keren haalde hij dingen aan die ik nog helemaal niet gelezen had. Wacht even, Claude, daar ben ik nog helemaal niet. Nou, uitputtende excuses natuurlijk, daar zijn ze goed in. En dan de volgende keer gewoon wéér doen.
Maar het werkte dus wel. En zo heel gek was het misschien ook weer niet? Ik noteer tijdens en na het lezen van een boek sowieso al van alles. Dit was een logische voortzetting: een manier om met die leeservaring in gesprek te kunnen gaan.
Ik luisterde in de maand dat ik het boek las ook naar een hoorcollege over het boek, van kenner Michiel Hagdorn. Zo had ik het idee dat ik De toverberg van meerdere kanten benaderde, dat ik als het ware iets óm de leeservaring heen had gebouwd om me te ondersteunen als ik in het verhaal vastliep of een idee of indruk wilde testen, aanscherpen.
Het werd een soort privé-boekenclub die elk moment, al was het voor tien minuten, even bij elkaar kon komen.
Twaalf gesprekken erover voerde ik tussen het lezen door met Claude Opus 4.5.
Ik pakte ’m erbij, bijvoorbeeld, toen ik na vier hoofdstukken mijn indrukken van de medische leiding van het sanatorium in het Zwitserse Davos waar hoofdpersoon Hans Castorp verblijft wilde testen. Wat zijn de motieven van kamerheer Behrens en dokter Krokowski precies? Proberen ze mede om commerciële redenen alle patiënten zo lang mogelijk daar te houden? En is dat wel of niet waarom ze Hans Castorp, die eigenlijk naar het sanatorium kwam om zijn neef Joachim op te zoeken en van plan was slechts drie weken te blijven, ook al snel ziek verklaren?
Claude las de relevante delen van de tekst met me mee en doorzocht andere bronnen, zodat we het over die interpretatie konden hebben. Zijn antwoord was altijd on point, meer dan eens nuttig en leerzaam, maar los daarvan: het dwong me sowieso mijn eigen indrukken onder woorden te brengen in een ‘gesprek’ over het boek, en dat op zichzelf had waarde.
Soms uploadde ik gewoon een foto van een passage waar ik het over wilde hebben. Toen ik eerlijk toegaf dat ik aan de ellenlange discussies tussen Settembrini en Naphta geen touw meer kon vastknopen, hielp het advies dat Claude gaf. Hij zei: lees ze zoals Hans Castorp ze in het verhaal moet aanhoren. Als een gevecht om zíjn ziel tussen deze twee literatoren, waar ook hij hooguit af en toe een zin of inzicht uit oppikt om te onthouden.
Andere keren gaf ik ’m een mooie passage waar ik even aan was blijven hangen. Zoals wanneer verlichtingsdenker Lodovico Settembrini (een personage waar ik al snel aan verknocht raakte) betoogt:
Mooi schrijven, dat betekende bijna meteen al mooi denken, en van daar was het niet ver meer naar mooi handelen.
Op het eerste gezicht een waardig credo, iets om in te geloven. Of niet?
Jawel, kreeg ik terug, maar ook toont dit de naïviteit van Settembrini. “Wat Mann hier doet is subtiel”, zei Claude. “Hij laat Settembrini een Nederlandse dichter van tweehonderd jaar geleden aanhalen die waarde hechtte aan fraai handschrift. Settembrini verbindt dat aan stijl, en stijl aan handelen. Maar die sprong – van schön naar schön naar schön, alsof esthetiek en ethiek via een of andere logica van klank aan elkaar vastzitten – is natuurlijk retorica, geen filosofie.”
Zo ontstond een kort gesprek over die ene zin (waarbij Claude er om zijn punt te maken overigens niet voor terugdeinsde te benoemen dat ook de nazi’s “een uitstekend gevoel voor esthetiek, voor Schönheit” hadden) en leerde ik het personage van Settembrini weer wat beter begrijpen.
- Het maken van ‘projects’ is bij Claude een betaalde functie. Het gebruik van Opus, hun krachtigste model, volgens mij ook. Bij ChatGPT kan een project aanmaken wel gratis, maar het gesprek kan minder lang doorgaan voor je toch moet upgraden. Bovendien is ChatGPT onethisch(er) én vind ik dat-ie veel meer tekst gebruikt om minder te zeggen, als een havo 5-scholier die bang is dat-ie het minimum aantal woorden voor een opdracht anders niet haalt. ↩︎
- Mocht je geïnteresseerd zijn: je kunt me mailen voor de precieze instructies die ik Claude gaf voor dit AI-meeleesproject, ik heb ze klaarliggen. Makkelijk toe te passen op een ander boek, volgens mij, al helpt het ongetwijfeld als je de AI op enige manier toegang kunt geven tot het hele boek. ↩︎