muziek

Damien Rice

Als ik Damien Rice luister, heb ik vaak het idee dat ik ervoor op mijn tenen moet staan of iets moet omklemmen. Alsof ik iets tot het uiterste moet doen om op hetzelfde niveau te komen als waarop hij zijn liedjes gemaakt heeft.

Zijn nieuwe album verscheen toen we begin deze maand een week in Marrakech waren. In de kamer van ons riad had ik de acht nummers ervan via Spotify ‘offline beschikbaar gemaakt’, zodat ik ernaar kon luisteren tijdens een dagtrip naar Ouarzazate, een woestijnstad. Damien Rice luisteren en door het Atlasgebergte rijden – dat leek me mooi. Maar toen we die ochtend eenmaal onderweg waren (het was vroeg, de chauffeur van het busje was vrolijk en sprak “a little bitch” Engels), had ik zin om te luisteren naar iets wat ik al kende.

Ik had een week lang vrijwel geen muziek geluisterd. Alle tijd was opgegaan aan het verkennen van de stad, met zijn warme temperaturen, kronkelende steegjes en de even onuitstaanbare als onweerstaanbare hectiek van het Jemaa el Fna, het centrale plein. Nu was er opeens Spinvis, en Death Cab For Cutie, en die Bill Withers-cover van Alt-J, terwijl de zon opkwam en we nog slaperig naast elkaar zaten. De stad verdween en de bergen kwamen.

Omdat ik ‘I Don’t Want To Change You’ van Rice’s nieuwe album wel al een paar weken kende, zette ik die ook op. Toen kwam ik op de zin waar dit stukje mee begint.

Het was, toevalligerwijs, ook in een bus dat ik zijn muziek voor het eerst hoorde. Dat was in 2003. Ik had een ochtenddienst gehad bij de Free Record Shop in Haarlem en was gevraagd of ik daarna nog kon invallen bij een filiaal in Hoofddorp. Voor de busreis daarnaartoe wilde ik een album mee uit onze rekken, en koos voor een beige doosje met enkel de titel (Damien Rice – O) en een tekening van een jongen en een meisje. Er zat een doorzichtige sticker op met drie korte citaten uit lovende recensies. Dat doosje stond me gelijk al aan, en ik wílde het al erg graag goed vinden. Zo was het makkelijk fan worden.

Zijn tweede verscheen vier jaar later, toen ik pas in Utrecht woonde. Ook die vond ik geweldig.

Inmiddels heb ik ook zijn nieuwe vaak geluisterd. Het zijn acht nummers, allemaal groots opgezet en aangezet. Ook deze wil ik heel graag goed vinden, maar hier en daar is het nét te veel. Ik was al weg van het album na één keer luisteren, en dat is gevaarlijk. Wat valt er dan nog te winnen bij de vierde keer, de negende keer, de eenentwintigste keer? Of was dit altijd al zijn stijl, en ben ik in de tussentijd kritischer geworden, cynischer? Dat kan ook.

Rice’s nieuwste album staat op Spotify, net als zijn eerste en zijn tweede. En die Bill Withers-cover van Alt-J is erg bijzonder; luister maar.

Standaard