Één vijfenveertig zevenenvijftig. Mark Tuitert schopt zijn laatste schaats over de finish en kijkt omhoog. De tijd is fenomenaal, nog veel beter dan hij dacht. Hij wist dat hij hard ging, maar durfde nog niet in secondes te denken. Dan de blijdschap. Één vijfenveertig zevenenvijftig. Hij steekt zijn pinken en wijsvingers de lucht in, als een rockster die zijn publiek bespeelt. Zijn haren wapperen als leeuwenmanen achter zijn oren.
Hij had de Anna Kournikova van het mannenschaatsen kunnen worden. Talentvol en mooi, iemand die alles mee heeft. Een glimlach die elk shampoomerk kan verkopen en elke vrouw naar binnen krijgt. Iemand die de dienst uit kan maken als jonge twintiger, maar het nooit echt waar weet te maken. Het duurde lang voordat hij vooral weer een topsporter kon worden, en daar had hij Jac Orie voor nodig.
Mooi waren de gevouwen handen, gisteren op de binnenplaats. Een langzaam glijdend schietgebedje. Nog vier man ging anderhalve kilometer om hem heen rijden en allemaal konden ze hem dit nog uit handen nemen. In zijn hoofd springt het heen en weer tussen hoop en relativering. Tussen niets willen verwachten en alles willen verwachten. Neon cijfers op een groot bord zijn de opmaat naar een keerpunt in zijn leven.
De televisiekijker snakt naar het blauwe lijntje, duwt het schreeuwend vooruit, probeert Davis er achter te houden. De Amerikaan glijdt er achteraan maar krijgt het niet te pakken. Met nog één rondje te gaan groeit de hoop en sneuvelt het pessimisme. Het gebeurt. Mark Tuitert wint goud op de Olympische Spelen en allemaal knuffelen we hem. Hoe mooi topsport kan zijn.
Vol ongeloof staat hij vlak na de race de verslaggever te woord, achter zijn ogen een heel ander leven dan een uur geleden. Hij is even stil. ‘Waar denk je aan?’ vraagt de man met de microfoon. Mark Tuitert denkt na, kan de drie letters met moeite langs het brok in zijn keel persen. ‘Jac’, zegt hij. Hij kijkt opzij, waar zijn trainer ergens staat.