andermans boeken

De vogels

“Alweer een herontdekt meesterwerk”, schreef de Belgische krant De Morgen deze zomer over De vogels van Tarjei Vesaas. Ook op andere plekken verschenen lovende recensies. Het boek uit 1957 was net opnieuw naar het Nederlands vertaald door uitgeverij Lebowski. Ongetwijfeld met precies dit voor ogen: dat het onthaald zou worden als een onterecht altijd onopgemerkt gebleven juweeltje, dat nu alsnog zou uitgroeien tot klassieker. Het Stoner-effect.

Nou, ik vond het een vreselijk boek. Vre-se-lijk. En het deed me twijfelen aan mijn eigen smaak. Of die wel goed afgesteld staat, of ik wel kan herkennen wat goed en slecht proza is. Ik bleef lezen, gefascineerd door hoe slecht ik het vond – en hoe dat kán, omdat iedereen het zo goed vindt.

Wat mis ik? Dit is toch gewoon heel, heel, héél erg slecht?

Voordat ik daar overdreven minutieus op in ga, eerst een korte inleiding voor wie het boek nog niet kent. Tarjei Vesaas (1897 – 1970) was een Noorse schrijver en dichter die lange tijd serieus kans maakte op de Nobelprijs voor de Literatuur. De Vogels (in het Noors: Fuglane) wordt gezien als een van zijn belangrijkste romans. Vorig jaar raadde een andere Noorse schrijver, Karl Ove Knausgård, het van harte aan in een boekenrubriek van The New York Times. Hij noemde het ‘de beste Noorse roman ooit’.

Daar veerde uitgever Oscar van Gelderen (Lebowski) van op. Het boek is in 1981 al eens naar het Nederlands vertaald, maar volgens Van Gelderen “niet al te best”. Lebowski besloot na Knausgårds woorden tot een nieuwe Nederlandse vertaling. Die verscheen deze zomer.

Mooi gedaan, dat moet gezegd. Een modern en aantrekkelijk omslag. Ik had meteen zin om het te lezen.

Over het verhaal zelf dan. Hoofdpersoon Mattis is een zwakbegaafde man van achterin de dertig die samen met zijn zus Hege in een afgelegen huisje aan het meer woont. Natuurverschijnselen intrigeren én beangstigen hem: een vogel die overvliegt, dreigend onweer, het water waar ze aan wonen. Hoe anderen hem zien, is belangrijk voor Mattis: hij is zich ervan bewust dat mensen hem raar zullen vinden als hij gewoon zegt wat er in hem opkomt, maar kan die neiging desondanks vaak niet onderdrukken.

Hege is druk met het breien van truien, waarmee ze wat geld verdient voor hen beiden. Ze zou graag zien dat hij ook werk vindt, vooral om hem bezig te houden. Op een dag brengt Mattis met een bootje twee meisjes naar de kant, wat hem bijzonder gelukkig maakt. Dus stelt Hege voor dat hij veerman wordt: mensen van de ene kant van het meer naar de andere vervoeren. Maar daar haalt hij het onheil juist mee binnen, want zijn eerste en enige passagier is Jørgen, een houthakker die bij ze blijft logeren en een relatie krijgt met Hege. Mattis is doodsbang dat dit betekent dat zijn zus hem zal verlaten.

Het is een dun boek, met een eenvoudig verhaal, verteld in korte zinnen. Dan wordt het al snel ‘spaarzaam’ genoemd (de recensie in De Morgen), of ‘subtiel’ (Knausgård in The New York Times).

Nou, mooi niet. Spaarzaam? Subtiel? De arme Mattis zit opgesloten in een roman vol struikelende zinnen, onechte dialogen, overbodige toevoegingen en allerlei inconsequenties. Ik wilde het meer dan eens tegen de muur smijten. Ik ben naderhand zelfs nog een boekwinkel ingelopen om te controleren of de versie die ik gelezen had misschien een faliekante misdruk betrof.

Ik viel vooral over de stijl – omdat ik daar in het algemeen veel op let, maar ook omdat dit boek juist geroemd wordt om de stijl. Misschien is het onredelijk om er zo fel en uitgebreid op in te gaan, maar zoals gezegd: ik raakte zowel gefascineerd als geërgerd door hoe dit boek geschreven (en vertaald) is.

Bovendien kon ik er inhoudelijk ook weinig mee. Het beloofde verhaal van een warme broer-zusrelatie die verstoord zou worden door een buitenstaander, heb ik er niet in herkend. Hege snauwt haar zwakzinnige broer op de eerste pagina’s al af, en dat verandert niet. De buitenstaander (Jørgen dus) arriveert pas in het derde en laatste deel. Dat Mattis ‘veerman’ wordt op het meer, is overduidelijk een zinloze exercitie want er is vrijwel nooit iemand daar; wat het ten tonele komen van die Jørgen, die als enige wél wil oversteken, ongeloofwaardig maakt. En het verhaal eindigt daarna nogal voorspelbaar, met een wanhoopsactie van de hoofdpersoon.

Over de stijl dan, want daar gaat het me dus vooral om.

Tegen het eind van het boek zijn Mattis en Jørgen samen in het bos om hout te hakken. Ze krijgen ruzie omdat Mattis zijn angst uitspreekt dat Jørgen er met zijn zus vandoor gaat. Hij raakt meer en meer in paniek en neemt in een opwelling een hapje van een giftige paddenstoel.

Het voelde alsof het als vuur door zijn keel ging – ook al was dat helemaal niet zo. Maar vlak daarna kwam een brandende pijn, dus gewone kost was het niet.

Hier komen meerdere van mijn ergernissen bij elkaar. Als zinnen zijn dit regelrechte misbaksels. Die lachwekkende toevoeging aan de eerste: ook al was dat helemaal niet zo. Nee, daar is het beeldspraak voor. De zin erna begint met ‘maar’, dus je verwacht dat die iets uit de zin ervoor gaat tegenspreken, want waar hebben we dat woord anders voor? Maar we krijgen een herhaling: wat eerst als vuur door zijn keel ging, is nu een brandende pijn. Min of meer hetzelfde. En dan volgt, nadat we al twee keer verteld hebben gekregen dat dat gif, nou ja, brandde, nog de totaal nutteloze mededeling dat het dus geen gewone kost was.

Tegen kritiek op deze zinnen is eventueel wel iets in te brengen. Het is namelijk aannemelijk dat Vesaas dit alles schrijft vanuit Mattis en zijn belevingswereld. Het is weliswaar geschreven in de derde persoon (‘Er was daarboven iets gebeurd, dacht hij’), maar regelmatig schakelt hij ook over naar de eerste persoon (‘Dan zal Hege het zien, al moet ik haar hierbuiten vastbinden’). Anders gezegd: Vesaas laat Mattis’ stem de vertelling overnemen, en daarbinnen mogen de eigenaardigheden van de hoofdpersoon – een zwakbegaafde man, immers – doorklinken. Dus kún je bereid zijn mee te gaan in de rare dingen hij denkt, de vaak botte overgang van de ene grote emotie naar de andere, en dat hij zijn indrukken stuntelig onder woorden brengt.

Misschien is het daarin vergelijkbaar met Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht: Christopher, de vijftienjarige hoofdpersoon, heeft het Syndroom van Asperger. In de zinnen van Mark Haddon zit daarom veel herhaling, veel ‘en toen, en toen’, veel ‘en hij zei, en ik zei, en hij zei’. Zouden we normaal ook niet zo mooi vinden, maar hé, er praat een jongen met een ontwikkelingsstoornis tot ons. Give him a break.

Toch is er een verschil. Ten eerste hanteert Haddon wél consequent het ik-perspectief, waardoor het authentieker de stem van Christopher is. Ten tweede, en dat is een belangrijke restrictie, vertelt Haddon ons dus niets over wat er in de anderen omgaat. Hij kan, na voor Christophers perspectief te hebben gekozen, niet zomaar overschakelen naar de gedachten van anderen.

Vesaas kiest (overwegend) voor de derde persoon, maar in grote lijnen geldt dezelfde schrijfwet: als hij het verhaal vanuit Mattis aan de lezer toevertrouwt, moet hij zich houden aan dat perspectief.

Maar. Dan helpt Mattis in een van de eerste hoofdstukken een boer op een land. Er is ook een jong stelletje dat daar werkt. Er staat:

Even verderop lachte de boer, die zijn handen dichtkneep dat hij zulke geweldige werkers had. Slome Mattis rekende hij maar even niet mee, dat deed niemand.

En als Mattis later op de dag met de boerin aan tafel zit, een beetje teleurgesteld dat hij geen goed werk kon afleveren, staat er:

‘Misschien had je weinig geslapen vannacht’, vroeg de boerin om hem een excuus te geven.

Er zijn veel meer van dit soort voorbeelden, waarbij het boek plots níet vanuit Mattis is geschreven. Vesaas speelt bij vlagen wél de alwetende verteller, want hij kruipt net zo goed in andere hoofden om hun beweegredenen uit te leggen. Hoe kan dat?

Of we moeten het nog ingewikkelder maken en ook deze zinnen opvatten als onderdeel van het perspectief van Mattis: dat hij denkt te zien wat de boer denkt bij het in zijn handen knijpen, en dat hij denkt te weten waarom de boerin dat vraagt. Dan zou Vesaas wel consequent bij Mattis’ belevingswereld blijven.

Maar dat lijkt me onwaarschijnlijk, want dat strookt weer niet met zijn karakter: het is juist iemand die moeite heeft om anderen te lezen en die niet in staat zou zijn een genuanceerd gevoel over wat anderen denken, te verwoorden.

Weer iets later op die dag, als ze met z’n allen zitten te eten bij de boer en de boerin, is Mattis’ aandacht gericht op het meisje dat die dag ook op het land gewerkt heeft. Hij vraagt of ze moe is.

‘Ja’, zei ze snel en zacht, keek naar dat wat louter goed en begrijpend voelde, en het hield haar in zijn ban.

Deze zin! Hoe vaker ik hem lees, hoe minder ik ervan begrijp. Zestig jaar oud is dit boek, het is geschreven door iemand die werd overwogen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, het is ‘de beste Noorse roman ooit’ volgens Knausgård, het is al een keer vertaald naar het Nederlands maar volgens Van Gelderen ‘niet al te best’, dus liet hij het nog eens helemaal opnieuw doen, hij schreef in een ronkende blogpost ‘wat een stijl!’, en dan krijg ik deze zin voorgeschoteld? Nog los van het feit dat Vesaas ook hier een onmogelijke sprong maakt naar weer een ander perspectief (dat van het meisje): wat stáát hier?

Nog een laatste voorbeeld in deze categorie. In hoofdstuk 8 krijgen Mattis en Hege ruzie. Het is ochtend, hij zit aan de ontbijttafel en zij heeft net “slappe koffie” voor hem ingeschonken. Mattis heeft iets gedroomd wat indruk op hem heeft gemaakt en waar hij over wil praten, maar Hege is niet geïnteresseerd en zegt dat dromen bedrog zijn. Dus Mattis staat boos op van tafel – en gooit daarbij de koffie om, daar begint het al mee. Vesaas schrijft:

De slappe koffie stroomde over tafel en er ging ook een kopje om.

Wat een curieuze volgorde: eerst stroomt de koffie over tafel en daarná gaat het kopje omver. Alsof je schrijven zou: ‘Haar jas werd doorweekt en het ging ook regenen.’

Dan springt de vertelling zomaar weer naar een ander perspectief:

Hege herinnerde zich hoe onaardig ze die nacht was geweest, en had er spijt van.

En wat is er aan de hand met dat ‘als het ware’? Een woordcombinatie die in een boek van 240 pagina’s 39 keer (!) gebruikt wordt. Knausgård zelf is er ook dol op, vooral in zijn Vier seizoenen-serie. Ik vermoed dat het een populair stopwoordje is in het Noors, zoals bij ons ‘eigenlijk’. Maar wat moet ik ermee in zulke zinnen?

De twee woonden hier als het ware helemaal op zichzelf.

Mattis werd als het ware naast een half afgemaakte boomstam neergezet, daar moest hij de schors vanaf halen.

Nu keek hij als het ware naar Mattis.

Mattis bleef achter en was als het ware in zijn eentje op de akker.

‘Mattis’, zei ze, zonder reden als het ware.

Zijn gezicht klapte als het ware dicht.

Waarom stáát het er, als dit zo’n ‘spaarzaam’ boek is? Al deze zinnen worden beter als je het weglaat.

In een andere passage struikelt de schrijver (of de vertaler) ineens over een heleboel ‘maren’. Uit hoofdstuk 27:

Maar ze waren klaar met het heuveltje, want de strenge Hege zei: ‘Nu moeten we opstaan.’ Maar Hege deed iets wat Mattis niet had verwacht, ze haastte zich niet meteen weer naar de vesten, maar ze zei: ‘Maar we nemen even vrij na dit alles. Dat was een hele toestand, voor ons allebei.’

Wat een bende! Helemaal doordat ook nog ten overvloede wordt geschreven dat Hege ‘streng’ was (dat blijkt allang uit wat ze zegt) en ook door die twee keer ‘niet’ kort achter elkaar. Ze deed iets wat hij niet verwachtte: ze deed iets niet. Zo raakt het nog verder in de knoop.

Dat onnodig vermelden hóé iemand iets zegt, gebeurt ook vaker. Zoals als Hege weer eens boos wordt op Mattis:

‘Ik heb genoeg van dat gegluur van jou!’ barstte ze uit. Haar stem was woedend dit keer.

Dus: een uitroepteken, gevolgd door dat ze de zin ‘uitbarstte’, en dan óók nog die extra nadruk: ze zei het woedend. Dank, Tarjei, we begrijpen je. Ja, we begrijpen je al, stop maar.

Of deze klassieker, uit hoofdstuk 27:

‘Waar zijn we?’ vroeg hij verward.

Of deze, nog een tandje lelijker:

‘Ik volg het niet meer’, antwoordde hij kort en had er geen zin meer in.

Ook hier kán het natuurlijk onderdeel zijn van hoe Vesaas zijn personage neerzet. De sociaal beperkte Mattis heeft misschien meerdere aanwijzingen nodig voordat hij begrijpt hoe een ander zich voelt, en herhaalt ze daarom ook via Vesaas’ vertelstem. Zou dat het zijn? Ik betwijfel het echt. En zelfs als het bewust gebeurt, is het geen excuus voor de vele haperende zinnen die die stijlkeuze oplevert. ‘Ik volg het niet meer’, antwoordde hij kort en had er geen zin meer in. Wat een stilistisch drama.

Even terug naar die scène aan de ontbijttafel. Mattis wordt dus boos en gooit een kop koffie omver, waarna Hege spijt krijgt van haar botte gedrag. En dan staat er:

Hege liet het maar zitten, ruimde de tafel af en pakte haar halve vest.

Geen woord meer over de koffie. Moest ze niet eerst de koffie opruimen voordat ze de tafel kon afruimen?

Iets eerder is er ook al zo’n kleine inconsequentie geweest. Het begin van dat hoofdstuk is:

Het werd laat. Later dan Mattis gewend was op te blijven.

Hij loopt wat rond bij het huis en maakt zich zorgen dat Hege hem misschien verlaat. Dan ziet hij een vogel vliegen boven het huis. Bijzonder, denkt hij, want dat type vogel vliegt hier normaal nooit. Hoe hij dat weet?

Hij was vaak zo laat buiten geweest dat hij die hier wel had zien en horen overkomen.

Dus hij is zowel niet gewend zo laat op te blijven als vaak genoeg nog rond die tijd buiten geweest om een anomalie in overvliegende vogels te constateren.

Nog een voorbeeld van zo’n inconsequentie – en hier werd ik echt een beetje boos om. In hoofdstuk 32 staan Hege en de houthakker, Jørgen, tegenover Mattis. Hij heeft ontdekt dat ze een relatie hebben en is daar bezorgd over.

Ze liep recht op haar broer af en deed iets wat ze bij zijn weten nog nooit had gedaan: ze omhelsde hem, ze had haar armen stevig om hem heen. Haar gezicht was vreemd.

Wíé ziet dat? Hege omhelst Mattis, die Jørgen nog tegenover zich heeft staan. Wie kan dan registreren dat Heges gezicht ‘vreemd’ was? De schrijver? Maar als meneer de schrijver ineens weer de alwetende verteller is, als een god boven het verhaal hangt, zou hij dan niet in staat moeten zijn met een beter bijvoeglijk naamwoord op de proppen te komen dan het vage en onbeholpen ‘vreemd’?

Nóg een voorbeeld: een van de veelgeprezen scènes is die waarin Mattis twee meisjes met zijn bootje naar de kant brengt. Het zit hem die dag eens mee, de meisjes zijn aardig en stellen hem in staat zich een held te voelen. Er staat:

Alles ging van een leien dakje, tot in het kleinste detail. Mattis’ eigen boot volgde goed, maar had een beetje water gemaakt, dat maakte de tocht zwaarder.

Ja, zeg. Dan ging het dus níet allemaal van een leien dakje. Dan ging het dus níet tot in het kleinste detail goed. Schrijf dat dan niet op!

Ademhalen. Nog even, ik ben er bijna.

Mattis is heel trots dat hij twee meisjes naar de overkant roeit, en zegt dat hij ze naar de kade zal brengen, waar mensen zullen zien dat hij hiertoe in staat is. En dan vervolgt het ‘herontdekte meesterwerk’:

‘Mensen die ons zullen zien? Waar is dat goed voor?’ vroegen ze in koor.

Hier word je toch laaiend van? Stel je dit eens voor: dat die twee meisjes deze twee vragen echt in koor stellen. In een serieus boek voor volwassenen, dat wordt geroemd om de dialogen en de pure taal. In dát boek stellen twee meisjes deze dubbele vraag, in deze precieze volgorde van tien woorden, in koor.

Alleen in de Donald Duck en in een jaren 90-sitcom met lachband kun je personages iets in koor laten zeggen. Kwik, Kwek en Kwak doen niet anders, en in Saved by the Bell werkte het aardig. In alle andere gevallen hoor je hier nooit, nooit mee weg te komen.

De vogels is het slechtste boek dat ik in jaren las.

Standaard