mijn boeken

Eerste versie

Een paar weken geleden, op een woensdagmiddag, zat ik te schrijven bij de HEMA. Ik had een tafeltje aan het raam. Het voornemen was om mijn nieuwe roman die dag met minstens 1500 woorden te laten groeien, maar het ging moeizaam. Slechte metaforen, slechte zinnen, gelul in de leegte. Toch wilde ik doorschrijven, doorschrijven, niet achterom kijken. Kwantiteit nu, kwaliteit later.

Toen zag ik dat een man aan de andere kant van het raam een foto nam. Van mij, mijn scherm, van dat hoekje van de HEMA. Dat vond ik eerst niet erg, hoogstens raar. Maar daarna dacht ik: nu kan hij inzoomen en lezen wat ik geschreven heb.

Ik voel me erg zelfbewust over eerste versies. Dat geldt voor bijna alles wat ik schrijf, maar misschien met deze roman nog wel meer. De eerste versie is niet voor andere ogen bedoeld. Het zijn mijn gedachten, nog niet mijn woorden. Het zijn open zenuwen, die later pas onderdeel worden van een organisme, iets dat lééft en naar buiten mag. Maar nu nog niet.

Ik ben nu op ongeveer 70 procent van die eerste versie, schat ik. Volgens Scrivener heb ik nu 55.125 woorden. Dat zijn er al meer dan er in de definitieve versie van mijn eerste boek terechtkwamen, maar dit ís dus niet een definitieve versie. Het is daar zo ver van verwijderd als maar kan.

Ik zal eerlijk zijn: er zijn momenten dat ik niet eens weet of het de goede kant op gaat. Juist omdat het zoveel kwantiteit is en geen kwaliteit. Ik dwing mezelf veel te schrijven. Schrijf dat hele verhaal eerst maar eens op. Als ik weet wat er precies gebeurt, kan ik daarna aan de stijl schaven, aan de details. Dan kan ik zien wat niet werkt (en er dus weer uit moet), wat meer aandacht nodig heeft en welke passages ik belangrijker wil maken.

Goed, oké. Hier is zo’n open zenuw. Een willekeurige alinea uit de eerste versie, naar dit blog gekopieerd omdat ik het leuk en interessant vind om het schrijfproces te analyseren en te delen.

De scène: twee oudere mensen zijn op hun slaapkamer. Hij wil het raam verder opendoen, zij ziet daar het nut niet van in.

Laat het, zei Riet. Hij stond half achter de dunne vitrage, de helft van zijn lichaam, gekrompen en krommer geworden in de afgelopen jaren, dat kon je zien. Als je elkaar elke dag ziet, vallen zulke dingen niet op. Dan wordt het pas opgemerkt door anderen, mensen die je een keer per jaar zien. In Center Parcs, een lente geleden. Dat was zo’n moment. Dat de zon voorzichtig over de huisjes scheen, huisjes die eruitzagen als die waarin de biggetjes wonen die de Grote Boze Wolf wil hebben. En dat Kristianne het tegen haar moeder zei, met haar hand een spreekrichting afschermend alsof ze de geheime locatie van een schat met haar deelde. Pap gaat een beetje kromlopen.

Hier is dus veel mis mee. Bijvoorbeeld:

  • Je kunt eraan zien dat ik snel schrijf, en dat ik voor correcties die meteen na het schrijven van een zin in me opkomen, niet terugga. Ik verwerk die gewoon in een nieuwe zin. “Hij stond half achter de dunne vitrage, de helft van zijn lichaam.” Dat is één gedachte die ik twee keer half heb proberen te vangen.
  • “[Zijn lichaam was] gekrompen en krommer geworden in de afgelopen jaren, dat kon je zien. Als je elkaar elke dag ziet, vallen zulke dingen niet op.” Dat is een tegenstelling. Het valt Riet op, en ze zegt meteen daarna dat het haar níet opvalt. Bovendien zit er onbedoelde binnenrijm in: ‘gekrompen’ en ‘krommer’.
  • “…huisjes die eruitzagen als die waarin de biggetjes wonen die de Grote Boze Wolf wil hebben.” Wat? Nee, nee. Ik heb hier een beeld voor me gezien van Center Parcs-huisjes als schattige, kwetsbare huisjes van stro, takken en/of baksteen. Maar het werkt niet, het zorgt niet voor een sterk beeld bij de lezer. Dit moet eruit.
  • “Een lente geleden”: wel aardig, maar wat betekent het precies? Is het de vorige lente, of die daarvoor?

Met een paar dingen kan ik half tevreden zijn. Ik vind het een mooi beeld, dat een oudere vrouw haar man bekijkt door de vitrage heen, als door een filter, en dat ze dáárdoor anders kijkt naar een lichaam dat ze al vijftig jaar kent.

Dat kan ik gebruiken: dat juist die vitrage zorgt dat ze anders kijkt. Ben ik ook van die tegenstelling af.

Ik vind daarnaast dat de overgang naar dat weekend Center Parcs (een flashback die belangrijk is voor het verhaal) op natuurlijke wijze opkomt. En ik vind die slotzin goed. Een volwassen dochter zou het zo zeggen: “Pap gaat een beetje kromlopen.”

Nieuwe poging:

Laat het toch, zei Riet. Ze keek naar hem, zijn gekrompen en krom getrokken lichaam achter de dunne vitrage, alsof er een filter overheen gelegd was. Ze zag nu wat haar dochter bedoeld had tijdens dat weekendje Center Parcs, vorige lente. Voorzichtige zon, speelgoedhuisjes. En dat Kristianne het tegen haar moeder zei, met haar hand een spreekrichting afschermend, alsof ze de geheime locatie van een schat met haar deelde. Pap gaat een beetje kromlopen.

Iets beter. Dat met dat filter kan nog iets vlotter. “Voorzichtige zon, speelgoedhuisjes” loopt als een vreemdeling rond in deze alinea, heeft geen echte verbintenis met de zin ervoor of erna. En ik wil nog iets meer gevoel tussen deze twee mensen. Nu ik er wat elementen uit geschrapt heb, duurt het moment te kort. Ik wil er iets meer bij stilstaan.

Misschien zo:

Hendrik, zei Riet tegen zijn achterhoofd. Hendrik, laat het toch. Hij draaide onwillig naar haar toe, de vitrage als een filter over zijn lichaam. Hij was kleiner geworden de laatste tijd, zijn rug kromgetrokken als een houten plank waar te veel spanning op staat. Nu zag ze wat haar dochter bedoeld had, vorige lente, tijdens dat weekendje Center Parcs. Die vooravond met de hele familie, voorzichtige zon op het gras, bier en blokjes kaas op het aanrecht van het bakstenen huisje. En dat Kristianne het tegen haar moeder zei, met haar hand een spreekrichting afschermend, alsof ze de geheime locatie van een schat met haar deelde. Pap gaat een beetje kromlopen.

Ook dit is het nog niet. Maar het komt in de buurt.

Die eerste versie, waar ik nog tot het eind van deze maand aan blijf schrijven, is mijn ondervloer. Functioneel en in een lelijke kleur groen, niet bedoeld om in het zicht te blijven. Straks komen de houten planken. Klassiek, rijk, onregelmatig, met knoesten en strepen en waarvan elk stukje anders is. Maar die kan ik pas leggen als de ondervloer al ligt.

Een korte introductie voor wie nieuw is hier: ik schreef tot nu toe twee romans en een boek over voetbaltaal. Alledrie verschenen ze bij uitgeverij De Arbeiderspers. Tot begin september ben ik met onbetaald verlof om aan mijn vierde boek (en dus derde roman) te schrijven. Hier meer over mij.

Standaard