andermans boeken

Grand Hotel Europa

In bijna elk hoofdstuk van Ilja Leonard Pfeiffers bejubelde laatste roman Grand Hotel Europa had ik een ander soort suspension of disbelief nodig. Dan weer biedt een mooie, jonge vrouw zich gewillig aan bij een vreemde man die ze net ontmoet heeft. Dan weer doet een Da Vinci Code-achtige zoektocht naar een verloren gewaand schilderij van Caravaggio zijn intrede. Dan weer belandt de ‘Ilja Leonard Pfeiffer’ die dit verhaal beleeft in een gesprek met Patelski, een wijze hotelgast die in lange monologen zonder haperen jaartallen en namen opnoemt, alsof een encyclopedie aan het woord is.

Maar ik accepteerde het, als lezer, omdat Pfeiffer zo enorm goed schrijft. Hij diagnostiseert Europa – de gloriejaren liggen achter haar; het continent heeft alleen nog maar tastbare geschiedenis te bieden, uitgestald voor toeristen, en is voorbestemd de ‘tuin van de wereld’ te worden – in sierlijke zinnen, ragfijne metaforen, heldere gedachten, meeslepende avonturen en goed afgemeten satire. Iets te vaak wil hij z’n punt duidelijk maken (ik geloof dat de zin ‘toerisme vernietigt waardoor het wordt aangetrokken’ er minstens drie keer in staat) en daar zet hij af en toe te doorzichtig personages voor in die er alleen maar zijn om een zienswijze van de auteur over te brengen, wat – zie ook die verhandelingen van Patelski – mini-essays in de vorm van een ongeloofwaardige dialoog oplevert.

Bovendien kom ik er maar niet uit of de hoofdpersoon Ilja Leonard Pfeiffer of de auteur Ilja Leonard Pfeiffer zo’n seksist is, maar minstens een van de twee is het zeker. De hoofdpersoon kan in veel scènes niet anders dan vrouwen zien als ‘poppetjes’ met ‘lijfjes’, en die lijfjes bestaan dan weer uit andere verkleinwoordjes. De auteur voert in 550 pagina’s vrijwel geen enkele vrouw op die niet vroeg of laat wordt geseksualiseerd, om het over de ronduit genânte seksscènes maar helemaal niet te hebben. Eén personage, de Franse dichteres Albane, lijkt deels gecreëerd om het feminisme eens even lekker te grazen te nemen.

Maar dan nog: ik heb liever een hoofdpersoon waar je een hekel aan krijgt (en waarbij je erover kan nadenken waarom dat precies is) dan een die je volkomen koud laat.

Deels verklaart (of verdedigt?) Pfeiffer zijn boek tegen het einde, als zijn hoofdpersonage met clio de tentoonstelling Treasures from the Wreck of the Unbelievable bezoekt, vol naakten en tekenen van verval en oog voor detail, en hij verzucht: “Zo moet ik schrijven, (…) in de geest van dit machtsvertoon, deze gulheid en dit plezier in avontuur. (…) Groots moet het zijn, en overdadig, een overweldigende orgie van fantasie (…).” Dat is dit boek ook geworden.

Standaard