(Instrumentaal)Ergens in januari lagen we in haar bed en liet ik haar muziek van Ludovico Einaudi horen, zoals ik haar al zoveel had laten horen. Ik wist van al die muziek nog wat ze ervan vond. Wat ze mooi vond, wat ze erover gezegd had. Dat ik dat allemaal maar onthield, zei ze, terwijl ze thee ging zetten en de pianomuziek door haar kamer trippelde. Ik zei dat ik het niet kon helpen. ‘Hoeveel nachten zouden we nu samen hebben geslapen?’, vroeg ik haar later, zonder een antwoord te verwachten. ‘Vijftig’, zei ze, vastberaden. Vijftig, want ze had ze geteld.