alledaagse dingen

Lang geleden, ik denk dat ik twaalf of dertien was, schuilde ik met mijn vader, mijn moeder en mijn zusje onder een viaduct voor de regen. Het was dag één van onze vakantie, waarin we gedurende twee weken in etappes van 40 tot 60 kilometer per dag van camping naar camping fietsten. We aten daar een broodje, onder dat viaduct, en mijn zusje en ik renden tegen de schuine wand van de zijkant op om te kijken hoe hoog we konden komen. Toen naderde er een klein groepje wielrenners. De bocht voor het viaduct was nat en glad, maar de voorste riep hard: “Niet remmen!” Zonder enige vaart te minderen vlogen ze door de bocht, langs ons, maar bij de laatste zag ik eerst het voorwiel en toen het achterwiel wegglijden op het natte wegdek – daar ging ie. De fiets en de renner schoven over het asfalt, beiden raakten gehavend. De rest reed door. “Niet remmen!” riep de voorste nog eens, als een moeder die toch verdorie haar kind had gewaarschuwd dat de pan heet zou zijn, en toen verdwenen ze uit zicht terwijl de achtergeblevene opkrabbelde, zijn fiets pakte, opstapte en helemaal niets zei terwijl hij verbeten zijn weg vervolgde.

Niet remmen

Aside