Ik was bij een bruiloft in de Grote Kerk, in het centrum van Den Haag. De middag bestond uit twee delen: een burgerlijk huwelijk en een kerkelijk huwelijk. Geen pauze.
Het was zaterdag en af en toe regende het. Gasten dromden samen voor de hoge deuren van het gebouw. Familieleden die elkaar alweer een paar maanden niet gezien hadden, zoenden elkaar op de wang. De oom die in een rolstoel zat omdat hij een motorongeluk had gehad, moest iedereen vertellen hoe het nu ging. Het ging wel.
De dress code was tenue de ville. In de uitnodiging had gestaan: ‘Dit is uw kans om eens een leuke hoed op te zetten.’ Er waren een paar vrouwen die de kans gegrepen hadden. Binnen was er koffie, en een gastenboek, en de barokke lijst van een schilderij waar je je hoofd doorheen moest steken voor op de foto.
Ik zag hoe de bruid tussen onze stoelen doorliep, langs de stropdassen en hoedjes en gestencilde programmaboekjes. Een tante, ooit burgemeester geweest en daarom bevoegd, leidde de ceremonie. Ze vertelde hoe de twee elkaar ooit ontmoet hadden, waar ze naartoe waren verhuisd om bij de ander te kunnen zijn, wat ze over elkaar gezegd hadden.
De bruid wreef met haar zijdewitte handschoen over de rug van haar bijna-echtgenoot, keek hem even aan en legde toen haar hoofd op zijn schouder. Zo zaten ze te wachten tot ze allebei één woordje mochten zeggen.
Of iemand nog bezwaar had tegen het huwelijk, vroeg de tante eerst, want dan moest je je nu laten horen. We bleven stil. Tante zuchtte. ‘Toch altijd een spannend moment’, zei ze. ‘Er zou eens iemand opstaan.’
Twee minuten later waren ze getrouwd.