12 april 2013

Lievelingsmensen

Een herinnering

Over Toos en Wim

Je kunt een zestigjarig huwelijk eigenlijk niet vieren in één Center Parcs-huisje. Ik schuifelde met moeite langs de stoelen, uit andere huisjes geleend en ernaartoe gedragen. Op de meeste stoelen zat iemand die ik niet kende, maar ik schudde plichtsgetrouw iedereen de hand.

Het hielp dat ze naast mij stond, mijn vriendin, toen net een paar maanden. Ze stelde me voor aan elk familielid. De opa en oma, om wie het weekend draaide, had ik inmiddels ontmoet. Veel anderen waren vreemden.

Ze hield stil bij twee mensen. Een ouder stel, dat onmiskenbaar bij elkaar hoorde. Ze zaten op de groene bank, bij de okergele gordijnen. Hij had een warme glimlach en een bril, zij had dun, wit haar. ‘Dit zijn Toos en Wim’, zei mijn vriendin. ‘Het zijn twee van mijn lievelingsmensen.’

Ik had nog nooit iemand dat woord horen zeggen. Dit waren lievelingsmensen.

Hij stond op, schudde me de hand, keek opzij, naar het meisje dat naast me stond, en ik zag hoe hij een en een bij elkaar optelde. Twee. Zijn ogen waren inmiddels weer bij mij. ‘Dus jij hebt de hoofdprijs’, zei hij lachend. ‘Ja’, lachte ik. Ik had de hoofdprijs.

In de jaren daarna zag ik Toos en Wim niet veel. Een enkele keer, op een verjaardag, maar nooit was de familie zo compleet als dat weekend in Center Parcs. Via mijn vriendin hoorde ik ze oud worden. Twee jaar geleden werd bij Toos Alzheimer vastgesteld, en bij Wim beginnende Alzheimer.

Ze hadden een enorme collectie keramiek, die ze af en toe tentoonstelden. Hij begon voorzorgmaatregelen te treffen, bedacht wat er mee zou moeten gebeuren. Het liefst bleef alles bij elkaar, vond hij.

Allebei vonden ze dat de ander vergeetachtig werd.

Een jaar geleden, in februari, waren we op de crematie van Toos. Naderhand was er jus d’orange en wijn. De familie was verdeeld over tafeltjes, hier en daar stonden groepjes mensen te praten. Wim liep ertussendoor, grote ogen achter een dikke bril. Hij leek kleiner dan toen in het Center Parcs-huisje. Overal waar hij bij ging staan, maakten de mensen een praatje met hem, ze wreven over zijn rug, ze gaven hem een knuffel. Daarna liep hij langzaam naar een ander groepje, of hij ging even zitten als iemand hem een stoel aanbood.

Een paar maanden later gooide de kat een keramieken schoteltje stuk op de vloer van onze keuken. Ik wreef troostend over de rug van mijn meisje, terwijl ze huilde om het schoteltje dat ze van hen had gehad en dat nu in stukken in haar hand lag.

Precies twee weken geleden stond ik samen met haar in de gang. Ze had net een telefoontje gehad. Over Wim.

Ik hield haar vast. Ze zei: ‘Ik weet dat hij graag dood wilde. Hij wilde graag naar Toos.’ Het voelde alsof ze nu allebei nog een keer stierven.

‘Het waren mijn lievelingsmensen’, zei ze.