alledaagse dingen

Vier weken

Ik zei: overmorgen is hij alweer vier weken oud. Maar misschien bedoelde ik: overmorgen is hij nog maar vier weken oud.

We liepen over de Alexander Numankade, het Griftpark net achter ons. Jonge ouders, nog onwetend over zoveel, nog grenzeloos naïef, ongetwijfeld. Ik weet niet eens zeker of ik al doorheb dat hij er nu altijd zal zijn. Dat we hem niet weer inleveren over een tijdje, om ons dan om te draaien en weer terug te gaan naar hoe het was.

Hoe wás het? Zij zei: ik kan me al bijna niet meer voorstellen hoe dat ging. Wat we toen deden.

Vier weken al, vier weken nog maar.

Boven ons ging een duif op een lantaarnpaal zitten. Kijk, zei ik, hij heeft een takje bij zich.

In alle kinderen die ik zie, zie ik zijn toekomst. Straks is hij zo — kan ik hem dan nog dragen? Straks doet hij dat — zal ik hem tot de orde kunnen roepen? Straks over die tegels in het water, naar de kinderboerderij, voorzichtig een hand uitsteken om te aaien. Straks, straks, straks. Te weinig nu. Vergeet het nu niet. Het is moeilijk.

Straks zeg ik het tegen hem. Dan gaat zíjn blik omhoog, met me mee. Kijk, die duif heeft een takje bij zich.

Standaard