andere dingen, muziek

Psalm 91

Mijn hardlooprondje ging deels door het Noordpark, het Gagelbos en Ruigenhoek, een groot stuk groen aan de noordkant van Utrecht. Ik was verder van huis geraakt dan gepland; met de afstand die ik moest afleggen om weer terug te komen zou ik mijn persoonlijk record voor het jaar aanzienlijk verbeteren. Het was niet anders.

Ik luisterde muziek. Na pakweg acht kilometer ik had net een ontmoedigend lang, anoniem stuk langs een weiland achter de rug, met tegenwind ook nog selecteerde de shuffle-functie ‘In Our Bedroom After The War’ van de Canadese band Stars. Hier en daar liepen plukjes mensen, gezinnen, andere lopers. Drie jongens, blijkbaar tijdelijk verstoken van hun reguliere training, waren aan het speerwerpen op een braakliggend stuk gras.

Mijn strijd was gestreden. Hier kende ik de omgeving weer. De afstand die ik bij vertrek voor ogen had, stond al op mijn sporthorloge. Ik hoefde alleen nog maar op huis aan, terwijl de getallen zouden blijven oplopen.

De zon werd wat warmer, en ineens viel het me op dat er vogeltjes floten, en precies toen was de tekst van het liedje:

Listen, the birds sing
Listen, the bells ring
All the living are dead, and the dead are all living
The war is over and we are beginning

Ik geloof er niet in dat iets of iemand dat regisseert, dat het zo moest zijn, maar de uitstekende timing van het lot gaf me energie.

Op de verharde paden van het park stond op verschillende plekken ‘AUB 1,5 M’ geschreven, met stoepkrijt. Ik zag het vóór die regel in dat liedje, en daarna nog eens, bij de brug die me Ruigenhoek uitleidde, toen ik op het punt stond de weg over te steken en onder het viaduct door te gaan, richting Fort Blauwkapel.

Nu speelde ‘We Will Become Silhouettes’ van The Postal Service. Ik luisterde. Meer toeval:

I’ve got a cupboard with cans of food
Filtered water, and pictures of you
And I’m not coming out until this is all over

Hier liep ik, buiten, dat ene uurtje van de dag, ik zocht de berm op als er tegenliggers waren, en zij deden hetzelfde, we weken steeds woordeloos uit naar onze eigen berm, en elke keer als zoiets gebeurde dacht ik aan iets wat ik ’s ochtends in de Volkskrant had gelezen. Hoe je een beetje kunt controleren of je voldoende afstand houdt tot anderen: als je allebei je hand uitsteekt, zou je elkaars vingertoppen net niet kunnen raken.

Het elkaar niet kunnen bereiken, het net-niet van menselijk contact: een gezondheidsadvies.

I wanted to walk through the empty streets
And feel something constant under my feet
But all the news reports recommended that I stay indoors
Because the air outside will make
Our cells divide at an alarming rate
Until our shells simply cannot hold all our insides in
And that’s when we’ll explode
And it won’t be a pretty sight

Langs de Darwindreef stond nog iets anders met stoepkrijt op de straat geschreven. Hier en daar waren stoeptegels gekaderd, en erbinnen had iemand geschreven: ‘Psalm 91’.

Thuis zocht ik de tekst ervan op. In De Nieuwe Bijbelvertaling is dit de tekst van Psalm 91:1-4.

Wie in de beschutting van de Allerhoogste woont en overnacht in de schaduw van de Ontzagwekkende, zegt tegen de HEER: ‘Mijn toevlucht, mijn vesting, mijn God, op u vertrouw ik.’

Hij bevrijdt je uit het net van de vogelvanger en redt je van de dodelijke pest, hij zal je beschermen met zijn vleugels, onder zijn wieken vind je een toevlucht, zijn trouw is een veilig schild.

Ik was de deur niet uitgegaan om bezig te zijn met songteksten, laat staan om aangezet te worden tot het lezen van de Bijbel, maar overal om me heen waren de verwijzingen naar het leven van nu, naar hoe we leven en waar we ons aan vasthouden. Een dwingend verzoek van de overheid, een ezelsbruggetje uit een krantenartikel, een bijbeltekst die toepasselijk lijkt – uit alles sprak dat we allemaal aan hetzelfde denken.

Standaard
andermans boeken

Condities

Arme Vincent, arme Gregor. Maar vooral die eerste, want de tweede is dan tenminste nog in het kwadraat verzonnen. Schrijver Vincent Pek, de hoofdpersoon in Condities, is de bedenker van Gregor, zíjn hoofdpersoon in twee gepubliceerde verhalenbundels – en één in wording. Wanneer hij, Vincent, al heel lang niet verder komt met die bundel en ten langen leste maar een halffabrikaat laat lezen aan zijn uitgever, wordt die vooral enthousiast van één kortverhaal, over Gregor die tijdens een wandeling last krijgt van hevige buikpijn.

Dat dat verhaal zo goed is, zal erdoor komen dat Vincent bekend is met die ellende: bij hem is een aantal jaren eerder de ziekte van Crohn vastgesteld, waarbij je darmen (zo zegt hij het ergens) chronisch ontstoken zijn. Vincent twijfelt als zijn uitgever voorstelt dat verhaal, dat meer dan alle andere autobiografisch is, uit te werken tot een volwaardige roman. Maar als hij het dan toch probeert, krijgt hij ineens vleugels: het hélpt, het schrijven vlot, en zo dient die verdomde ‘kwaal’ tenminste nog een doel.

Lees verder
Standaard
alledaagse dingen, muziek

Hoop

Een jaar geleden wandelde ik ’s avonds een rondje door de stad. Het was rond half acht, donker. Ik had handschoenen nodig.

Op de eerste verdieping van het restaurant in het Griftpark brandde licht, er stond een groepje jonge mannen rond een statafel. Ik herkende de houding: gewicht op het standbeen, een hand om een voor mij onzichtbaar flesje, en ik kon me de gesprekken voorstellen, de verhalen en grappen van een gelijkgestemd gezelschap. Met elk biertje je meer thuis voelen. Minder bedreiging. Minder buitenwereld. Vrijdag. Iemand haalt er nog een paar. De opener, waar ligt de opener. De roker van het stel zet een aansteker onder de kroon.

Ik liep onder ze door, langs het water. Ik was hen niet. Ik was een aanstaand vader.

Ik moest nog iets verzinnen voor op het geboortekaartje. We hadden een naam bedacht die – in elk geval voor mij – ‘hoop’ betekende. Ik zocht naar liedjes over hoop. Ik deed mijn handschoenen uit en luisterde met Spotify naar ‘Hold on Hope’ van Guided by Voices, en ‘All Will Be Well’ van Gabe Dixon, en ‘Avenue of Hope’ van I Am Kloot.

Het bruggetje dat ik wilde nemen om onze wijk weer in te lopen, bleek afgezet. Ik keerde om en liep terug.

Misschien dan toch geen bestaande tekst. Misschien moest ik zelf iets verzinnen. Ineens, toen, een slotzin: Hier begin je. En dan, dacht ik, daarboven een klein gedichtje over wat we zouden zien, voelen en herkennen als we in abstracte zin dat leven, pas begonnen, zouden aftasten. Hij strikt zijn veters. Hij zwaait. Hij geeft een steekpass. Er lukt iets en er mislukt iets.

Ik liep het Griftpark uit aan de zuidkant. De lantaarns op de muren van de voormalige gevangenis Wolvenplein brandden fel, ze reflecteerden in het water. De lucht was donkerblauw, helder, egaal. Steeds kwamen er korte zinnetjes in me op, de meesten nog niet erg goed, maar misschien kon het iets worden.

Thuis schreef ik zoveel mogelijk op.

Ons zoontje werd eind maart geboren. Buiten, achter de okergele gordijnen van de ziekenhuiskamer, was de eerste mooie lentedag begonnen. Ik kon er maar niet over uit wat mijn vrouw gedaan had. Het gevoel, daar aan het hoofdeind van het bed, van iets veel groters dan trots; ik wilde ter plekke verkruimelen tot ik niets meer was dan een eerbetoon aan haar en haar heldendaad.

Toen hij een uur en zeven minuten oud was, zette ik de playlist op die ik in de weken ervoor gemaakt had. Het eerste nummer dat ons zoontje in zijn leven hoorde, was ‘All Will Be Well’ van Gabe Dixon.

The new day dawns
And I am practicing my purpose once again
It is fresh and it is fruitful if I win but if I lose
Oh — I don’t know
I will be tired but I will turn and I will go
Only guessing til I get there then I’ll know
Oh — I will know

Iets verderop in de playlist stonden ook ‘Hold on Hope’ van Guided by Voices, en ‘Avenue of Hope’ van I Am Kloot, de andere liedjes die ik op die avond in januari geluisterd had.

Op het geboortekaartje brachten we de tekst uiteindelijk terug tot vrijwel alleen dat ene zinnetje dat die avond in me op was gekomen: Hier begin je.

Vanochtend herinnerde mijn dagboek-app me aan die avondwandeling, omdat die precies een jaar geleden was. Ik las terug wat ik toen schreef. Dat ik mezelf een ‘aanstaand vader’ noemde.

Vanmiddag lunchten we in het centrum. Het was druk in de stad. Zij zou afrekenen, ik nam de afslag naar de zithoek en zocht alvast een plek. Ik zette de kinderwagen in een hoek, zette mijn zoontje op de tafel, trok z’n rode winterjasje uit en zette hem in een kinderstoel. Ik ging bij hem zitten.

Daar zaten we: vader en zoon, geen twijfel over mogelijk. Iedereen die ons zou zien zitten, zo, zou het zíen. Onze truien in nagenoeg hetzelfde blauw. Hij was vrolijk. Hij had een stuk rijstwafel in z’n knuistje.

Het was geluk. Het was – ik heb er geen ander, beter of preciezer woord voor. Het cliché zal moeten voldoen. Geluk.

En dan nog te weten dat zij straks om het hoekje zou komen lopen en zich bij ons zou voegen, met broodjes, en met sap van banaan en sinaasappel, en dat ik naar zijn gezicht zou kunnen kijken op het moment dat hij zijn moeder weer zou herkennen nadat ze even weg was geweest.

Standaard
alledaagse dingen

Mijn favoriete dingen van 2019

Boek: Daisy Jones and The Six
Film: Marriage Story
Comedyserie: Fleabag (S2)
Personage: Brent Norwalk, The Good Place
Documentaire: Fyre
Voetbalfilmpje: De dochter van Mo Salah scoort
Foto: Frenkie de Jong tegen Real Madrid
Album: The National – I Am Easy To Find
Liedje: Julia Jacklin – ‘Body’
Verhaal: Het klimaat, vijftig jaar later: een min of meer hoopgevend bericht uit 2069, de Volkskrant
Citaat: ‘Happiness doesn’t grow on trees. And even if it did, people keep cutting trees down.’
Podcast-aflevering: Heavyweight – Scott
Stad: Utrecht
Dag: 29 maart

Dit is het zevende jaar dat ik een lijstje maakte met mijn favoriete dingen. Eerder: 2013, 2014, 2015, 2016, 2017 en 2018.

Standaard
andere dingen

Mirwais

Begin 2017 ontmoette ik Mirwais, een 23-jarige jongen uit Kabul, Afghanistan. Hij wist toen nog niet of hij in Nederland mocht blijven. Ik zag hem in de periode daarna steeds vaker, en op een dag vroeg ik hem of ik eens een verhaal over hem mocht schrijven. Dat vond hij goed.

Maar dat verhaal kwam er maar niet. We bleven afspreken, we bleven praten, hij bleef in onzekerheid over zijn asielaanvraag en ik bleef notities maken. Hij had het soms bijzonder zwaar. Op andere momenten zag ik hem vrolijk, optimistisch.

Nu is zijn verhaal er wel. Het is af. En het staat in Het Blad bij NRC van december, en hier.

Standaard
mijn boeken

Dogger

Ik heb een sportboek geschreven. De biografie van Paul Dogger, hét tennistalent van de jaren 80. Als zestienjarige zette hij de nummer 1 van de wereld, Ivan Lendl, te kijk.

Maar het liep het helemaal mis. Zijn vader had MS en takelde af, hij kreeg zelf allerlei gezondheidsproblemen en sloeg op den duur zelfs ballen expres uit om naar Ajax te kunnen. Terwijl zijn boezemvriend Richard Krajicek wel de top haalde, gleed Dogger af. Hij raakte aan de drugs en begon schulden te maken.

Het boek is vanaf donderdag te koop, in de winkel of online.

Standaard
andermans boeken

Grand Hotel Europa

In bijna elk hoofdstuk van Ilja Leonard Pfeiffers bejubelde laatste roman Grand Hotel Europa had ik een ander soort suspension of disbelief nodig. Dan weer biedt een mooie, jonge vrouw zich gewillig aan bij een vreemde man die ze net ontmoet heeft. Dan weer doet een Da Vinci Code-achtige zoektocht naar een verloren gewaand schilderij van Caravaggio zijn intrede. Dan weer belandt de ‘Ilja Leonard Pfeiffer’ die dit verhaal beleeft in een gesprek met Patelski, een wijze hotelgast die in lange monologen zonder haperen jaartallen en namen opnoemt, alsof een encyclopedie aan het woord is.

Maar ik accepteerde het, als lezer, omdat Pfeiffer zo enorm goed schrijft. Hij diagnostiseert Europa – de gloriejaren liggen achter haar; het continent heeft alleen nog maar tastbare geschiedenis te bieden, uitgestald voor toeristen, en is voorbestemd de ‘tuin van de wereld’ te worden – in sierlijke zinnen, ragfijne metaforen, heldere gedachten, meeslepende avonturen en goed afgemeten satire. Iets te vaak wil hij z’n punt duidelijk maken (ik geloof dat de zin ‘toerisme vernietigt waardoor het wordt aangetrokken’ er minstens drie keer in staat) en daar zet hij af en toe te doorzichtig personages voor in die er alleen maar zijn om een zienswijze van de auteur over te brengen, wat – zie ook die verhandelingen van Patelski – mini-essays in de vorm van een ongeloofwaardige dialoog oplevert.

Lees verder
Standaard
andere dingen

Al vijf jaar reist er een opbergbox door Nederland met kleertjes die zo klein zijn dat alleen te vroeg geboren baby’s ze passen, langs gezinnen die hem van de ene op de andere dag hard nodig hebben. Collega Anne-Martijn van der Kaaden en ik volgden het spoor en tekenden het verhaal op van de levens die begonnen met dit shirtje en de andere kleertjes uit die ene opbergbox. Dit weekend staat dat verhaal in Het Blad, het maandelijkse magazine bij NRC, en online hier. De prachtige illustraties zijn van XF&M.

Link
alledaagse dingen

Vier weken

Ik zei: overmorgen is hij alweer vier weken oud. Maar misschien bedoelde ik: overmorgen is hij nog maar vier weken oud.

We liepen over de Alexander Numankade, het Griftpark net achter ons. Jonge ouders, nog onwetend over zoveel, nog grenzeloos naïef, ongetwijfeld. Ik weet niet eens zeker of ik al doorheb dat hij er nu altijd zal zijn. Dat we hem niet weer inleveren over een tijdje, om ons dan om te draaien en weer terug te gaan naar hoe het was.

Hoe wás het? Zij zei: ik kan me al bijna niet meer voorstellen hoe dat ging. Wat we toen deden.

Vier weken al, vier weken nog maar.

Boven ons ging een duif op een lantaarnpaal zitten. Kijk, zei ik, hij heeft een takje bij zich.

In alle kinderen die ik zie, zie ik zijn toekomst. Straks is hij zo — kan ik hem dan nog dragen? Straks doet hij dat — zal ik hem tot de orde kunnen roepen? Straks over die tegels in het water, naar de kinderboerderij, voorzichtig een hand uitsteken om te aaien. Straks, straks, straks. Te weinig nu. Vergeet het nu niet. Het is moeilijk.

Straks zeg ik het tegen hem. Dan gaat zíjn blik omhoog, met me mee. Kijk, die duif heeft een takje bij zich.

Standaard