alledaagse dingen

Vier weken

Ik zei: overmorgen is hij alweer vier weken oud. Maar misschien bedoelde ik: overmorgen is hij nog maar vier weken oud.

We liepen over de Alexander Numankade, het Griftpark net achter ons. Jonge ouders, nog onwetend over zoveel, nog grenzeloos naïef, ongetwijfeld. Ik weet niet eens zeker of ik al doorheb dat hij er nu altijd zal zijn. Dat we hem niet weer inleveren over een tijdje, om ons dan om te draaien en weer terug te gaan naar hoe het was.

Hoe wás het? Zij zei: ik kan me al bijna niet meer voorstellen hoe dat ging. Wat we toen deden.

Vier weken al, vier weken nog maar.

Boven ons ging een duif op een lantaarnpaal zitten. Kijk, zei ik, hij heeft een takje bij zich.

In alle kinderen die ik zie, zie ik zijn toekomst. Straks is hij zo — kan ik hem dan nog dragen? Straks doet hij dat — zal ik hem tot de orde kunnen roepen? Straks over die tegels in het water, naar de kinderboerderij, voorzichtig een hand uitsteken om te aaien. Straks, straks, straks. Te weinig nu. Vergeet het nu niet. Het is moeilijk.

Straks zeg ik het tegen hem. Dan gaat zíjn blik omhoog, met me mee. Kijk, die duif heeft een takje bij zich.

Standaard
andere dingen

Woorden

Ik erger me aan woorden, na wat er maandag in Utrecht gebeurde.

Ik ben er niet goed in me boos te maken. Maar misschien was het omdat dit gebeurde in de stad waar ik 12,5 jaar geleden mijn leven aan vastknoopte, waar ik studeerde, begon te schrijven en mijn grote liefde tegenkwam. Ik verdwaalde hier ooit, diep in de nacht, toen ik met een vriend naar muziekfestival De Beschaving was geweest en we veel te dronken veel te vroeg de bus uitstapten. Ik keek hier met Oud en Nieuw over de stad heen, vanaf de negentiende verdieping van de MAX-torens, met helemaal links in beeld de Domtoren en recht vooruit de Galgenwaard. Ik haalde hier een kat naartoe en kocht een huis. Er is geen plek in Utrecht waar ik níet ooit tijdens een hardlooprondje geweest ben.

In die stad had iemand het gestoorde, beestachtige lef om anderen te doden, te verwonden en te traumatiseren.

Als we geweld niet met geweld willen beantwoorden, zijn woorden alles wat we hebben. Als in een land dat zo onwaarschijnlijk veilig is als Nederland iemand in een tram zomaar op meerdere mensen schiet, en ze doodt, dan schrikken we daarvan. Wat we vervolgens hebben, als premier, als Koning en Koningin, als NOS en andere media, zijn slechts de woorden.

Bij zijn eerste, korte persconferentie zei premier Mark Rutte meteen dat het land was “opgeschrikt” door een “aanslag”. Daarna stelde hij expliciet dat niet zeker was of er een “terroristisch motief” was, wat een onduidelijke definitiekloof tussen de twee veronderstelde, om daarna alvast een voorschot te nemen op de bevestiging dat het inderdaad terrorisme was, want dan “past maar één antwoord: onze rechtsstaat en onze democratie zijn sterker dan fanatisme en geweld. We zullen niet wijken voor onverdraagzaamheid, nooit.”

Het kon al niet meer géén terrorisme zijn. Dat ene woord uit de eerste zin – aanslag – was genoeg. Hij weet heel goed wat het merendeel van de Nederlanders bij dat woord voelt. Zo zijn we inmiddels geconditioneerd. De angst voor terreur – hoe irrationeel ook, we kennen de statistische vergelijking met een verkeersongeluk of blikseminslag, bla, bla – zit diep. Een onbestemd gevoel in de buik, een speldenprik in ons voor lief genomen idee van ultieme veiligheid. Uitgesproken door de belangrijkste man van het land, die simpelweg nog niet genoeg kon weten om deze gebeurtenis die betekenis al toe te kennen.

Er kwam een verklaring van Willem-Alexander en Máxima. Die werd voorgelezen op televisie, bij de NOS. Ze schreven onder meer: “Geweldsdaden als deze zijn volstrekt onacceptabel”. En: “Laten wij samen eensgezind op de bres gaan staan voor een samenleving waarin mensen zich veilig kunnen voelen en waarin vrijheid en verdraagzaamheid de boventoon voeren.”

Op Instagram noemde iemand het een “mooie, ontroerende reactie van de Koning en Koningin”. Ook daar werd ik een beetje boos om. Wat was hier zo ontroerend aan? Het zijn zinnen van een belachelijke vanzelfsprekendheid, en daarmee betekenisloos. Gelukkig vindt het koninklijk paar geweldsdaden als deze volstrekt onacceptabel. Dit zijn, net als Rutte over “een mengeling van ongeloof en afschuw” en “niet wijken voor onverdraagzaamheid” stukgekookte woorden, we zetten ze nog maar eens op het pitje en dienen ze nog eens op.

Een dag later kwam Rutte met een nieuwe reactie. Hij zei: “Utrecht ligt in het hart van ons land en Nederland is in het hart geraakt.” Alsof de geografische ligging ertoe doet. Was het in Groningen gebeurd, had hij dan gezegd dat Nederland in de schouder was getroffen? En waarom precies dezelfde analogie gebruiken als drie jaar geleden na de aanslagen in Brussel? Wat zegt het over de leider van ons land als hij op zo’n belangrijk moment niets beters heeft dan het herkauwen van troostretoriek?

“We are one, they are us”, zei de Nieuw-Zeelandse premier Jacinda Ardern na de terroristische aanslag van afgelopen vrijdag, waarbij vijftig mensen stierven. Die toespraak had de kracht te ontroeren en te troosten, en een bange samenleving weer een klein beetje bij elkaar te brengen. Ik moet denken, ook, aan de afscheidsboodschap van Eberhard van der Laan, de Amsterdamse burgemeester. “Zorg goed voor de stad en voor elkaar.” Niet na een aanslag, wel op een moment dat een stad naar steun zocht – en die vond in dat kleine zinnetje.

Hier in Utrecht wonen alle soorten mensen. We groeien maar door, harder dan iedere andere stad in Nederland, maar voor velen kan het nog steeds als een groot dorp voelen. Het is een stad waar Syrische vluchtelingen een goedlopend restaurant zijn begonnen, de Gall&Gall een pand deelt met een moskee en vanavond de in een democratie uitgebrachte stemmen zullen worden geteld door mensen met nikes, een hoofddoek en een zachte g. Ook die stad, hoeveel we er ook van houden als we erdoorheen fietsen (want we fietsen) heeft gekken, drugsverslaafden, criminelen, moordenaars. Iemand schoot drie trampassagiers dood. Daar zijn we van geschrokken. Daar hebben we verdriet om.

De hulpdiensten, de politie en recherche, de helikopters en drones, de anti-terreureenheden: zij bevestigden daarna hoe veilig we zijn. Nog diezelfde dag werd de schutter, tegenover de sportschool waar men vanaf de loopband toekeek, opgespoord en opgepakt. We zullen de komende dagen misschien de tram mijden, al is het maar om onszelf gerust te stellen, maar daarna gaan we weer naast elkaar zitten, praten we met elkaar, omdat we niet bang zijn voor elkaar en omdat we, zelfs al zouden we het willen, de grens niet meer zien liggen tussen ‘wij’ en ‘zij’.

We kunnen er alles aan doen, maar we zullen de volgende niet gegarandeerd kunnen tegenhouden. Een terrorist of een gek heeft alleen een wapen nodig. Soms alleen een auto. Van onze politici, onze autoriteiten en onze hulpdiensten zullen we nooit kunnen eisen dat het niet meer gebeurt. Maar we kunnen wel van ze vragen dat ze de juiste woorden gebruiken áls het gebeurt, woorden die eerlijk zijn, en echt, die troosten en gaan over wat we voelen, en die we tegen elkaar willen herhalen tot het verstrijken van de tijd het langzaam iets makkelijker heeft gemaakt.

Standaard
andere dingen

Youp (65)

Een paar jaar geleden vertelde NRC-hoofdredacteur Peter Vandermeersch me dat Youp van ’t Hek elke dag twee van elkaar verschillende sokken aan heeft. Toen dacht ik: op een dag schrijf ik een groot stuk over hem, en dan begin ik daarmee. Met die sokken. Ik had het idee dat er veel meer over die man te vertellen moest zijn dan het bijna karikaturale waar hij vaak mee geassocieerd wordt: klein, schreeuwerig mannetje met rond brilletje.

Elke keer dat ik Youp vorig jaar opzocht, vroeg ik hem ook of ik z’n sokken mocht zien. En we praatten over zijn liefde voor cabaret, zijn familie, zijn columns, voetbal, het nieuws, Napels, #MeToo, en dat hij eind 2015 bijna dood ging. We discussieerden, aten samen en speelden een potje voetbal.

Het stuk is nu af, en het is hier te lezen.

Standaard
muziek

Ultimate Painting

Meerdere keren in het afgelopen jaar dacht ik bij een voor mij onbekend liedje ‘dit klinkt goed, wat is dit?’ om na wat zoeken op deze bandnaam uit te komen: Ultimate Painting.

De eerste keer was in maart 2018, toen ik ergens het naar de band zelf vernoemde nummer hoorde. Ultimate Painting van Ultimate Painting dus. Ik weet niet meer waar dat was, ergens in een lunchtentje, denk ik. (Vanochtend mijn Last.fm- en Shazam-geschiedenis doorgeploegd, mijn Day One-dagboek, mijn Google Calendar, mijn Google Maps-tijdlijn en waar ik die dag gepind heb, maar blijkbaar wordt niet nog álles vastgelegd.)

Het deed me meteen denken aan All The Same van Real Estate. Waar ik dát nummer voor het eerst hoorde, dat weet ik nog wel. Het was de zomer van 2012 en we interrailden door Europa, mijn vriendin en ik. In Krakau dronken we ’s middags icetea in Kazimierz, de Joodse wijk aan de Wisła. Daar hoorde ik dat liedje. Stukje opnemen en Shazammen toen ik weer ergens wifi had.

Ultimate Painting van Ultimate Painting heeft datzelfde prettig lome geluid, alsof de muzikanten dat deuntje moeiteloos nog een paar uur vol zouden kunnen houden. Het is zorgeloos, het is zondags. Geïnspireerd door Velvet Underground, en naast aan Real Estate ook wel verwant aan The Clientele.

Later bleek dat ik een ander nummer van ze al langer kende. Song for Brian Jones zat in mei 2017 in mijn Discover Weekly (de gepersonaliseerde lijst die Spotify wekelijks samenstelt). En via die twee nummers kwam ik op Kodiak, dat ook al zo lekker klonk.

Dit weekend hoorde ik Monday Morning, Somewhere Central in Wanderlust (een BBC/Netflix-serie die met de aflevering beter wordt, met vooral geweldig acteerwerk en goede muziek). Een mooi, klein liedje met een Simon & Garfunkel-achtige titel, en dus wéér iets van Ultimate Painting dat me meteen beviel.

Me maar eens inlezen dus. En pas toen kwam ik erachter dat de band niet meer bestaat. Het was een project van twee mannen, James Hoare en Jack Cooper, die in andere Britse bands speelden (respectievelijk Veronica Falls en Mazes) en besloten samen ook wat muziek te maken. Ze brachten tussen 2014 en 2016 elk jaar een album uit.

Het vierde album zou begin 2018 uitkomen en Up! gaan heten, maar toen kregen de heren op het laatste moment enorme ruzie. “Iedereen die met ons gewerkt heeft, weet dat onze samenwerking altijd erg fragiel is geweest”, schreef Cooper in februari op de Facebook-pagina van de band. Nu was het helemaal misgelopen tussen de twee, en “niet meer te lijmen”. Zo erg was het zelfs, dat het nieuwe album, dat nagenoeg af moet zijn geweest, níet is uitgebracht. En de single die wel al op Spotify gezet was, is daar weer afgehaald.

Zo verzoenend en vreedzaam als de liedjes klinken, zoveel spanning was er blijkbaar als die twee samen in de studio zaten. Einde verhaal.

Een maand later was ik dus aan het begin van de middag ergens waar ik een liedje hoorde dat mijn aandacht trok, waardoor ik alle andere dingen minder hoorde en alleen nog naar die muziek kon luisteren. Achterhalen wilde wat het was, en hierop uitkwam. Ultimate Painting van Ultimate Painting. Meer wilde horen. En heel langzaam, bijna bij toeval, na die ruzie, na dat teruggetrokken album, liefhebber werd.

Standaard
andermans boeken

Ananas

De nieuwe collega bij de internetredactie nam een ananasplant mee naar het werk. Het was 2011. Een kwetsbaar ogend gewasje in een kleine pot. Die moeten we regelmatig water geven, zei de collega. Allemaal. Goed voor zorgen.

Die collega was Lex Boon, en die ananas, vertelde hij al snel, had hij van zijn ex-vriendin gehad. Die toen nog gewoon zijn vriendin was. Maar kort daarna was ze vertrokken. Wat nu bij ons bovenop een kast met naslagwerken en computer-accessoires stond, was het overblijfsel van die relatie.

Lex werd een van mijn beste vrienden. Een innemende jongen met een oprechte interesse in anderen en een buitengewoon gevoel voor het kleine, ‘vreemde’ verhaal. Je hebt geen idee hoe hij het idee op het spoor is gekomen, maar je vindt het, zodra hij erover begint te vertellen, al snel even fascinerend als hij. Een man die zich liet invriezen, een potvis die ontplofte op het strand. Natuurlijk wil je daarover lezen, maar iemand moet dat potentieel er als eerste in zien – en, belangrijker, besluiten er alles over uit te zoeken.

Stories happen only to those who are able to tell them, schreef Paul Auster. Dat geldt voor Lex.

We vormden in de jaren op de redactie een vriendschap, met als basis onder meer een gedeelde liefde voor het verhaal. Een paar jaar terug stapte Lex over naar Het Parool, waar hij alleen maar beter werd in waar hij al goed in was. Een nachtelijke reis door Amsterdam geïnspireerd door maffe smaken Kitkat, een zoektocht naar de mysterieuze Japanner die al jaren steeds dezelfde brief naar een Volendamse hotel stuurt. Het zijn stukken waarin ook de mensen die hij tegenkomt en opvoert lijken te worden begeesterd door zijn enthousiasme. Ze willen het óók wel weten, waar die vriendelijke journalist achteraan zit.

In een mail aan Lex probeerde ik eens onder woorden te brengen wat er volgens mij zo sterk is aan zijn verhalen. “De lezer denkt: wauw, als deze gozer iets mafs of interessants tegenkomt, boekt-ie gewoon een ticket of desnoods overtuigt hij iemand aan de andere kant van de wereld om een halve bibliotheek door te zoeken. De wereld als je speeltuin zien, stiekem willen we dat allemaal wel, en zonder het te benoemen (want voor jou is het altijd erg vanzelfsprekend, lijkt het) beleeft hij dat met je mee.”

Eens in de paar maanden eten we samen, Lex en ik, en dan vertellen we elkaar ook over de verhalen waar we aan werken. Zo krijg ik vaak een ontstaansgeschiedenis mee van wat hij maakt.

Over de ananas ging het vaak. Jarenlang was hij ermee bezig. Dit werd zijn grootste project. Een heel boek, op termijn. Hij reisde de wereld af, en in flarden, maar met het enthousiasme dat uiteindelijk ook in z’n teksten zit, kreeg ik het mee. Berlijn, Thailand, Costa Rica, Ghana, Schotland, Hawaï. De mensen die hij was tegengekomen en die hem weer een stapje verder hadden geholpen.

Richting wat precies? Dat doet er niet toe. De zoektocht zelf is vaak al genoeg. Elke nieuwe ontdekking of ontmoeting is als een pijl van stoepkrijt: het speuren gaat verder, de hoek om, het gaat door. Er is méér!

Het idee achter dit boek was dat hij zijn eigen (liefdes)leven, sinds die dag dat zijn vriendin met de ananasplant was thuisgekomen, zou koppelen aan een zoektocht naar de ananas en waar die vrucht voor staat. Een icoon van het exotische, waar een wereld achter zit van handel, concurrentie, uitbuiting. Van menselijke vindingrijkheid en menselijke tekorten. Verhalen, verhalen, verhalen.

Dat boek is er nu. Ik las het dit najaar al. Het is grappig, warm, leerzaam, aanstekelijk, feel good.

En het is avontuurlijk: jíj had die reizen willen maken, jíj had gezegend willen zijn met zo’n nieuwsgierigheid, zo’n durf om het uit te zoeken, zo’n doortastendheid die ertoe leidt dat je drie dagen na een voorzichtig mailtje op een ananasplantage aan de andere kant van de wereld staat, nieuwe mensen leert kennen, in heerlijk absurdistische taferelen terechtkomt.

Dat is wat Ananas: een liefdesgeschiedenis is. Je zou het moeten lezen.

Standaard
alledaagse dingen

Mijn favoriete dingen van 2018

Boek: Thomas Rueb – Laura H
Film: Call Me By Your Name
Serie: The Marvelous Mrs. Maisel
Serie-aflevering: Forever, S1E6: ‘Andre and Sarah’
Gifje: Queen Elizabeth II ziet koeien
Album: Damien Jurado – The Horizon Just Laughed
Liedje: Thom Yorke – Suspirium
Festival: Best Kept Secret
Verhaal: Lex Boon – Mr. Kaor
Interview: Jannetje Koelewijn met Bibi Dumon Tak
Kop: Gunfire Erupts at a School. Leaders Offer Prayers. Children Are Buried. Repeat.
Column: Marcel van Roosmalen – Kansberekening
Nieuwsbrief: Future Crunch
Internationale podcast: Caliphate
Nederlandse podcast: Neutrale Kijkers
Podcast-aflevering: Heavyweight – Rob
Game: Cities: Skylines
App: Too good to go
Stad: Tallinn
Land: Vietnam
Dag: 4 augustus
Herinneren: Scott Hutchison

Dit is de zesde keer dat ik een lijstje maakte met mijn favoriete dingen van het jaar. Eerder: 2013, 2014, 2015, 2016 en 2017.

Standaard
mijn boeken

Luchtballon

Schrijver Sabine van den Berg geeft op het blog van Lebowski “schrijftips aan de hand van literaire voorbeelden”: als ze een boek heeft gelezen dat ze goed vindt, legt ze uit waarom het haar beviel en wat schrijvers in spé ervan kunnen leren. En ze kiest een favoriete zin.

In die rubriek had ze het eerder deze maand over mijn laatste roman, Na Mattias. Dit vond ze de mooiste zin:

En terwijl de zon onderging, steeg die ballon juist op met drie mensen aan boord: ze trokken zich omhoog aan de laatste banen zonlicht terwijl op aarde alle kleuters hun schouders bijna uit de kom zwaaiden, en kort daarna was het al bijna onmogelijk om je de silhouetten in dat mandje nog voor te stellen als gewone mensen die ook op slippers in dat gras hadden gestaan.

Ik dacht: misschien is dit een mooie gelegenheid om de ontstaansgeschiedenis van zo’n zin te reconstrueren. Hoe de zin gedurende bijna twee jaar – en zes versies – tot stand kwam. Lees verder

Standaard
mijn boeken

Lijstje

“Een eer is het sowieso”, mailde mijn redacteur Daniël gisteren. Na Mattias is opgenomen in een lijstje ’10 Books from Holland’: tien Nederlandse romans die dit najaar door het Nederlands Letterenfonds worden aangeraden bij buitenlandse uitgeverijen – onder meer op de gezaghebbende Buchmesse van Frankfurt. Criteria daarvoor zijn dat ze het boek zelf goed vinden, dat het door goede recensies en verkopen is opgevallen en dat het de potentie heeft om ook als vertaling veel lezers te vinden. “Restrained and intricate mosaic of mourning by a writer of exceptional promise”, staat erbij. En ik ben nog steeds heel trots op dit boek.

Standaard
alledaagse dingen

Nieuw Vredelust

Op zaterdagochtend, 21 juni, gingen we met de trein naar station Duivendrecht. Het laatste stukje liepen we, langs bedrijventerrein en snelweg. We staken over waar dat waarschijnlijk niet toegestaan was, gingen naar links en stonden plots in het groen. Onze schoenen zakten een beetje weg in het grind.

We zouden hier slapen, op tuinpark Nieuw Vredelust. Een gebied met meer dan honderd kleine huisjes, vele met een nummer op een bordje bij het hek (wij hadden 51), met smalle paadjes ertussen, en mocht je over de heggen kunnen kijken, mocht je willen weten waar de tuinen ophouden en de stad begint, dan zou je de Johan Cruijff Arena zien, en trainingscomplex De Toekomst.

Zo’n negen maanden eerder stuurde de gemeente Amsterdam een brief aan de huurders van deze volkstuin. Ik vond de brief op tafel. Het logo met de drie kruisen stond erboven. De gemeente schreef dat er een “nieuw stedelijk gebied voor wonen en werken” gepland was. Hier, waar we net onze tassen hadden neergezet. Er wordt “ontwikkeling voorzien”, stond er, “met onder meer woningen, bedrijvigheid, […] uitbreiding van het sportcomplex van AFC Ajax […] en “een duurzame oplossing voor parkeren bij evenementen”.

Kortom: het zou hier allemaal tegen de vlakte gaan, uiterlijk in 2020. Er komt een nieuwbouwwijk. En andere mensen komen op een ochtend als deze hiernaartoe. Het slot zal nog stroef zijn, de sleutel moet er anders in, even wrikken. De deur laat voor het eerst los, het ruikt naar verf en stof, een leven begint. Dat er eerst iets anders stond, is snel vergeten. De nieuwe mensen kunnen het zich al niet meer voorstellen. Het huis staat er nu toch? Een huis. De onverzettelijkheid ervan, op palen die de grond in gingen, en de echo die pas later kwam.

En hotels, en bedrijven, en voetbalvelden en parkeerplaatsen.

We gingen in de tuin zitten en keken naar de vliegtuigen die overkwamen. De meeste waren van KLM, maar we zagen ook het EasyJet-oranje, Zwitsers rood, een toestel met Qatar op de buik, en allerlei andere, van deze afstand niet te ontwaren maatschappijen. Vaak stak het wieltje onder de cockpit nog uit. Of ál? Stak het ál uit? We wisten niet of de vliegtuigen aankwamen of vertrokken. Of er daarboven uitgekeken werd naar drie weken op het strand, of de geur van het eigen dekbed, de kat achter de voordeur.

Begon er iets, of kwam er iets ten einde?

Ik dacht na over de nieuwe woonwijk. De stad groeit. De club groeit. De economie – jongens, de economie. En mensen moeten toch ergens wonen? Ze moeten toch parkeren? Ze moeten toch inspelen, wegdraaien, de vrije man zoeken, afronden? Ik dacht: er zullen goede redenen zijn geweest om die brief te sturen. De gemeente schrijft dat niet zomaar.

Maar wij dan, wat wij deden? Moest dat ook? We lazen boeken op het gras. We vouwden de parasol weer in en wachtten tot het donker werd. Het koelde af, de lucht rook zoet. We zetten waxinelichtjes op tafel. We draaiden de kraan open en sproeiden de tuin. Ik dacht: ook het groen moet de kans krijgen te groeien.

Op zondagavond namen we de trein terug naar Utrecht. Een moeder en haar dochter zaten naast ons. Om het rugzakje van het meisje zat een KLM-blauw label met opschrift ‘cabin luggage’. Ik bedacht me dat ze misschien die middag over ons heen gevlogen waren, en dat als dat zo was, al die toestellen dus bezig geweest waren met landen, en niet opstijgen, en dat ik dan in elk geval op één vraag een antwoord had.

Standaard